Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200800065/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het beroep richt zich tegen het besluit van het college van 21 december 2007, waarbij het college heeft beslist dat als gevolg van de aanleg van de zandterp ten behoeve van de bouw van de Schoterbrug geen handelingen worden verricht waardoor de op het Ridsterrein aanwezige verontreiniging wordt geplaatst en in verband met die aanleg geen sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. [verzoekster] heeft de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/585
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800065/1.

Datum uitspraak: 4 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 4 januari 2008 om 15.30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter

Ambtenaar van Staat: mr. P.J. Blok

Verschenen:

[verzoekster]), vertegenwoordigd door mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, en [deskundige], en [directeur];

Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college), vertegenwoordigd door mr. W.J.R.M. Welschen, advocaat te Haarlem, en ing. S.Y.M. Andela en ing. A. Verduijn, ambtenaren in dienst van de gemeente.

1. Procesverloop

Het beroep richt zich tegen het besluit van het college van 21 december 2007, waarbij het college heeft beslist dat als gevolg van de aanleg van de zandterp ten behoeve van de bouw van de Schoterbrug geen handelingen worden verricht waardoor de op het Ridsterrein aanwezige verontreiniging wordt geplaatst en in verband met die aanleg geen sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. [verzoekster] heeft de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter

wijst het verzoek af.

Daartoe overweegt hij het volgende.

Ter zitting is namens het college verklaard dat op maandag 7 januari 2008 de werkzaamheden aan de bouw van de Schoterbrug voortgang zullen vinden. Op dit moment is men bezig met het ontgraven ten behoeve van de bouw van de peilers van de brug. De grond die hierbij vrijkomt is verontreinigd, categorie I, en moet daarom op het bouwterrein zelf worden verwerkt. Het gaat in eerste instantie om een hoeveelheid van 100 m3. Gelet op deze omstandigheden gaat de Voorzitter er van uit dat [verzoekster] een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om een voorlopige voorziening.

Het besluit van 21 december 2007

[verzoekster] brengt naar voren dat aan het besluit geen melding ten grondslag ligt, althans niet een melding die betrekking heeft op het opwerpen van een zandterp. De bouwcombinatie Strukton heeft op 14 november 2007 bij het college een melding gedaan als bedoeld in de Wet bodembescherming voor het verwijderen van het puin aan de zuidoever ten behoeve van de bouw van de Schoterbrug in Haarlem-Noord. In dit meldingsformulier is geen sprake van het opwerpen van zandterpen. In verband hiermee heeft het college het besluit van 21 december 2007 aangeduid als een zelfstandig voor beroep vatbaar besluit waarop de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

De vraag of het stelsel van de Wet bodembescherming het toelaat om, zonder dat hieraan een toereikende melding ten grondslag ligt, een zelfstandig besluit te nemen waarin wordt vastgesteld dat geen handelingen worden verricht waardoor de aanwezige verontreiniging wordt verplaatst en daarom geen sanerende maatregelen nodig zijn, evenmin als een saneringsplan, leent zich niet voor beantwoording in het kader van deze voorlopige voorzieningprocedure. De Voorzitter gaat er in deze procedure bij wijze van voorlopig oordeel van uit dat het besluit van 21 december 2007 door het college bevoegd is genomen.

De wederzijdse belangen

[verzoekster] wijst er op dat toezeggingen en verklaringen, die door het college zijn gedaan in twee voorafgaande kort geding procedures, niet zijn na gekomen. Zij vreest dat door de aanleg van de zandterp ten behoeve van de brug verontreiniging zich vanuit het Ridsterrein zal verplaatsen naar haar bedrijfsterrein en dat zij vroeg of laat voor hoge kosten zal komen te staan wanneer zij deze verontreiniging zal moeten saneren.

Het college is van oordeel dat de bouw van de brug doorgang moet vinden, dat vertraging daarin tot hoge kosten aanleiding zal geven en dat de kans op verplaatsing van verontreiniging vanuit het Ridsterrein naar het bedrijfsterrein van [verzoekster] klein is. Het college baseert zich hierbij op een memo van T en E consult van 6 september 2007.

Ten behoeve van de bouw van de brug is inmiddels de zandterp voor het overgrote gedeelte in december 2007 opgeworpen. Het betreft een hoeveelheid van 6.500 m3, die nog aangevuld zal worden met een hoeveelheid van tenminste 500 m3. Volgens het memo van T en E consult zou verontreiniging kunnen optreden doordat verontreinigd grondwater uittreedt als gevolg van samendrukking van de bodemlaag waarop de zandterp wordt gelegd. De verwachting is echter dat zich dit niet zal voordoen omdat ter plaatse reeds zetting is opgetreden als gevolg van de in het verleden aanwezige puinlagen. Ter zitting is namens het college verklaard dat eenmaal samengedrukte veen- en kleilagen zich in beginsel niet weer uitzetten door het opnemen van grondwater. Dit alles bijeengenomen brengt de Voorzitter tot het oordeel dat de kans op verontreiniging van het bedrijfsterrein van [verzoekster] door het aanbrengen van de zandterp gering is.

Hij neemt hierbij tevens in aanmerking dat de verontreiniging van het Ridsterrein wat samenstelling en verspreiding betreft volledig in kaart is gebracht, terwijl het bedrijf van [verzoekster] wat betreft het risico van bodemverontreiniging regelmatig wordt gemonitord. Hierdoor is het aannemelijk dat onderscheid kan worden gemaakt tussen verontreiniging van het Ridstterrein en mogelijke verontreiniging van het bedrijfsterrein van [verzoekster] die niet van het Ridsterrein afkomstig is. De kans dat [verzoekster] aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor de sanering van verontreiniging op zijn terrein die afkomstig is van het Ridsterrein acht de Voorzitter, mede gelet op hetgeen het college hierover ter zitting heeft verklaard, gering.

Ten slotte is tijdens de zitting namens het college verklaard dat het er op zal toezien dat de vrijkomende bodemmaterialen zo zullen worden verwerkt dat de kans op verontreiniging van het terrein van [verzoekster] zo klein mogelijk zal blijven.

Alle belangen in aanmerking genomen ziet de Voorzitter geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Voorzitter voorts geen aanleiding.

w.g. Drupsteen w.g. Blok

Voorzitter ambtenaar van Staat

428.