Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200703418/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2004 heeft de raad van de gemeente Vaals (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [verzoeker] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2008/1035
TBR 2008/74
JOM 2008/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703418/1.

Datum uitspraak: 16 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Vaals,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1923 van de rechtbank Maastricht van 6 april 2007 in het geding tussen:

[verzoeker],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2004 heeft de raad van de gemeente Vaals (hierna: de gemeenteraad) het verzoek van [verzoeker] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft de gemeenteraad het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeenteraad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 augustus 2007 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2007, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. A. Snijders en ing. W.J.P. Valkenburg, ambtenaren in dienst bij de gemeente, en [verzoeker], bijgestaan door mr. A. van den Brand, advocaat te Venlo, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [verzoeker] is sinds 25 april 1997 eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Vaals, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel). [verzoeker] heeft verzocht om vergoeding van de schade die hij stelt te lijden als gevolg van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998". Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 30 maart 1998 en gedeeltelijk goedgekeurd door gedeputeerde staten van Limburg op 17 november 1998, waarbij het deel waaraan goedkeuring is onthouden, voor zover thans van belang, betrekking had op de nadere aanduiding van het perceel "woning toegestaan" op de plankaart. Op het perceel rust derhalve de bestemming "Woondoeleinden" zonder een mogelijkheid tot bouwen van een woning.

2.2.1. Voorheen gold ter plaatse het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 14 november 1977. Dit plan gaf aan het perceel de bestemming "Wonen". Onder vigeur van dit plan kon op het perceel een woning worden gebouwd.

2.2.2. Niet in geschil is dat [verzoeker] door de bestemmingsplanwijziging als gevolg waarvan hij geen woning meer kan bouwen op het perceel in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren en dientengevolge schade lijdt. In geschil is uitsluitend of de door de planwijziging ontstane schade ten laste van [verzoeker] dient te blijven.

2.2.3. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van aanvaarding door [verzoeker] van het risico dat de bouwmogelijkheid op het perceel zou kunnen vervallen, is van belang of de voortekenen van de voor [verzoeker] nadelige planwijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Om risicoaanvaarding te mogen aannemen is het, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 11 mei 2000 in de zaak met nr. 199902237/1 (BR 2001, 228), voldoende dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op het perceel zou gaan veranderen, in een voor die eigenaar negatieve zin.

Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

2.3. De gemeenteraad betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de nadelige planwijziging voor [verzoeker] niet voorzienbaar was. De gemeenteraad wijst daartoe op het streekplan Zuid-Limburg 1987 (hierna: het streekplan) en de daarbij behorende kaart 1. Aangezien het perceel was begrepen in een bestemmingsplan dat dateerde uit 1977, lag het volgens de gemeenteraad in de lijn der verwachtingen dat een nieuw bestemmingsplan conform het streekplan zou worden vastgesteld en dat de bouwmogelijkheid op het perceel zou komen te vervallen.

2.3.1. Het voorheen vigerende bestemmingsplan "Buitengebied" dateert van 1977. Aangezien bestemmingsplannen in beginsel eenmaal in de tien jaar dienen te worden herzien, had [verzoeker] vanwege de ouderdom van dat bestemmingsplan kunnen voorzien dat de gemeenteraad tot een wijziging zou besluiten. Dit betekent echter niet dat reeds hierom voor [verzoeker] voorzienbaar was dat het planologische regime in zijn nadeel zou wijzigen.

2.3.2. Volgens kaart 1, behorend bij het streekplan, is Raren in het landelijk gebied gelegen en wordt het niet als een kern aangemerkt. In de verklaring van plankaart 1 staat vermeld dat bebouwingsstructuren van geringe omvang of niet aaneengesloten en zonder een minimaal verzorgingspakket niet als kern worden aangemerkt, maar zijn terug te vinden op de topografische ondergrond van de streekplankaart. Bebouwingsontwikkeling is aldaar in principe niet mogelijk, tenzij zeer incidenteel van karakter en de noodzaak terdege wordt aangetoond en op bestemmingsplanniveau afgewogen tegen de belangen en waarden van het direct omliggende gebied.

In paragraaf 2.3.1.1 van het streekplan staat vermeld dat het landelijk gebied zoveel mogelijk zijn weinig bebouwd karakter met vele cultuurhistorische waarden en zijn gedifferentieerde en gevarieerde natuurlijke en landschappelijke aantrekkelijke kenmerken moet behouden. Nieuwe bebouwing, schaalvergroting, rationalisatie, intensivering en andere ruimtelijke ingrepen moeten daaraan worden aangepast.

2.3.3. Hetgeen in het streekplan omtrent de mogelijkheid tot bouwen in kernen en het landelijk gebied staat vermeld, is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van een concreet en ter openbare kennis gebracht beleidsvoornemen op grond waarvan een voornemen tot wijziging van de planologische situatie van het perceel kan worden aangenomen. Het streekplan laat ruimte voor uitzonderingen op het uitgangspunt dat bebouwingsontwikkelingen in het landelijk gebied in principe niet mogelijk zijn, namelijk in het geval waarin de noodzaak daartoe terdege wordt aangetoond en op bestemmingsplanniveau wordt afgewogen tegen de belangen en waarden van het direct omliggende gebied. Bij de vaststelling door de gemeenteraad van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" op 30 maart 1998, heeft een zodanige afweging geresulteerd in een nadere aanduiding van het perceel "woning toegestaan" op de plankaart. De gemeenteraad heeft zich niet op het standpunt mogen stellen dat [verzoeker] op grond van het streekplan had kunnen voorzien dat gedeputeerde staten van Limburg aan deze nadere aanduiding goedkeuring zou onthouden en dat de planologische situatie derhalve in zijn nadeel zou wijzigen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog faalt.

2.4. De gemeenteraad betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat uit de brief van 28 februari 1997 van burgemeester en wethouders aan [verzoeker] kon worden afgeleid dat de kans bestond dat de bouwmogelijkheid op het perceel zou kunnen verdwijnen.

2.4.1. In voormelde brief staat het volgende vermeld:

"Het door u bedoelde perceel […] is volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied bestemd voor de bouw van een eengezinswoning; deze bouwtitel wensen wij ook in het toekomstige bestemmingsplan Buitengebied, welke binnen afzienbare termijn in procedure gaat, te handhaven. Hieraan dienen echter zowel de gemeenteraad alsook gedeputeerde staten alsnog hun goedkeuring te hechten. De heer Bovens heeft u gezien uw persoonlijke situatie medegedeeld dat, indien u beschikt over een bouwvergunning, wij u zullen toestaan dat u van deze vergunning vooralsnog geen gebruik maakt, zonder dat dit leidt tot intrekking van de vergunning. Mocht u besluiten tot aankoop van betreffende kavel over te gaan, dan adviseren wij u wel om zo spoedig mogelijk een bouwvergunning hiervoor aan te vragen, dit gezien het feit dat wij u geen garantie kunnen geven dat de bouwtitel ook in het toekomstige bestemmingsplan Buitengebied gehandhaafd blijft".

2.4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de brief in zodanig algemene bewoordingen is gesteld dat [verzoeker] op grond hiervan niet heeft kunnen voorzien dat de planologische situatie in zijn nadeel zou wijzigen. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat het gemeentebestuur, na opmerkingen van de provincie in 1996 met betrekking tot de in het voorontwerp van het bestemmingsplan Buitengebied in Raren en Wolfhaag gehandhaafde bouwmogelijkheden, er van op de hoogte was dat gedeputeerde staten niet zou instemmen met het handhaven van deze bouwmogelijkheden, en derhalve in duidelijker bewoordingen aan [verzoeker] kenbaar had kunnen maken dat de planologische situatie mogelijk in zijn nadeel zou wijzigen. Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt de gemeenteraad dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat [verzoeker] het risico heeft genomen dat de bouwmogelijkheid op het perceel zou komen te vervallen, nu hij voorafgaand aan de planologische wijziging geen aanvraag om een bouwvergunning heeft ingediend en slechts vooroverleg met de gemeente over zijn bouwplan heeft gehad.

2.5.1. [verzoeker] heeft in maart en september 1998 bouwtekeningen bij de gemeente ingediend en hierover met de gemeente overleg gevoerd. Ten tijde van deze activiteiten was de planologische wijziging van het perceel echter nog niet voorzienbaar. Hiervan was eerst sprake na 17 november 1998, de datum waarop het college van gedeputeerde staten van Limburg goedkeuring heeft onthouding aan de aanduiding op de plankaart "woning toegestaan" van het perceel. Na die datum zou het indienen van een aanvraag om een bouwvergunning niet realistisch zijn vanwege het gewijzigde bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft ten onrechte aan [verzoeker] tegengeworpen dat hij, door zijn nalaten om een aanvraag om een bouwvergunning in te dienen, het risico heeft genomen dat de bouwmogelijkheid op het perceel zou komen te vervallen. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. De gemeenteraad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Vaals tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 686,93 (zegge: zeshonderdzesentachtig euro en drieënnegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Vaals aan [verzoeker] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. bepaalt dat van de gemeente Vaals een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008

344.