Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC2077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
200708038/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een gemengde veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 12 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708038/2.

Datum uitspraak: 8 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een gemengde veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 12 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 december 2007, waar [verzoekster], in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door A.A.J. van Brenk en W. Heikamp, werkzaam bij de Milieudienst Zuidoost-Utrecht, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoekster] betoogt in het kader van stankhinder dat het college de woningen aan de Molenweg 13, 15 en 17 ten onrechte als categorie IV- in plaats van categorie III-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: Wet stankemissie) heeft aangemerkt nu er een overwegende woon- of recreatiefunctie is. In geval van categorie III wordt niet aan de vereiste afstanden voldaan, aldus [verzoekster]. Verder heeft het college volgens [verzoekster] het bij het in de omgeving van de inrichting gelegen recreatiecentrum behorende sportterrein en een gebouw ten westen daarvan ten onrechte als categorie II- in plaats van categorie I-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie aangemerkt. Aan de vereiste afstanden voor categorie I wordt niet voldaan, aldus [verzoekster]. Daarnaast voert zij aan dat - anders dan het college stelt - wat betreft het sportterrein evenmin wordt voldaan aan de vereiste afstand voor een categorie II-object.

2.3. Vast staat dat indien voornoemde woningen aan de Molenweg en het sportterrein en het gebouw ten westen daarvan onderscheidenlijk als categorie III- en I-objecten moeten worden aangemerkt niet aan de afstandseisen wordt voldaan.

2.4. Gelet op de ter zitting getoonde foto’s en de gegeven toelichting komt de voorzitter het standpunt van het college dat de verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen geen overwegende woon- of recreatiefunctie aan de omgeving verlenen en de woningen aan de Molenweg 13, 15 en 17 als categorie IV-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie moeten worden aangemerkt niet onjuist voor. Evenmin komt het standpunt van het college dat de afstand tot het sportterrein voldoet aan de minimaal vereiste afstand voor categorie II hem onjuist voor. Deze procedure leent zich echter niet voor beantwoording van de vraag of het bij het recreatiecentrum behorende sportterrein en een gebouw ten westen daarvan moeten worden aangemerkt als categorie I- of II-objecten als bedoeld in de Wet stankemissie. De Afdeling zal deze vraag in de bodemprocedure moeten beantwoorden. De voorzitter ziet, bij afweging van de betrokken belangen, in dit stadium evenwel geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008

373.