Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
200708177/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / lichter middel / marginale toetsing

Aan de inbewaringstelling is ten grondslag gelegd dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting, omdat de vreemdeling niet over een identiteitspapier, als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 beschikt en hij ongewenst is verklaard. Gelet op deze gronden heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de openbare orde de inbewaringstelling van de vreemdeling vorderde, omdat er aanwijzingen waren om te vermoeden dat hij zich aan zijn uitzetting zou onttrekken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 16 augustus 2005 in zaak nr. 200505443/1, JV 2005/396), dient de rechtbank indien gronden voor bewaring aanwezig zijn, het standpunt van de staatssecretaris of gelet op alle omstandigheden en het belang dat met de bewaring wordt gediend met een lichter middel kan worden volstaan terughoudend te toetsen. Door te overwegen dat de staatssecretaris in redelijkheid had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel, omdat de vreemdeling naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate het vermoeden heeft weerlegd dat hij zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en zijn belangen bij invrijheidstelling zeer zwaar wegen, terwijl het door de staatssecretaris gestelde belang van de openbare orde naar het oordeel van de rechtbank moet worden gerelativeerd, heeft de rechtbank ten onrechte haar eigen oordeel voor dat van de tot dat oordeel bevoegde staatssecretaris in de plaats gesteld. Gelet op de gronden die aan de inbewaringstelling ten grondslag zijn gelegd, in het bijzonder de grond dat de vreemdeling ongewenst is verklaard wegens het bepaalde in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen grond kan worden gezien om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien en het risico te aanvaarden dat de vreemdeling zich niet meer zou melden, zodra zijn uitzetting daadwerkelijk in zicht zou komen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708177/1.

Datum uitspraak: 11 januari 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/40438 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 16 november 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam

(hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en hem schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen de staatssecretaris in het hoger-beroepschrift naar voren heeft gebracht, is een voortzetting van het debat in eerste aanleg bij de rechtbank. Anders dan de vreemdeling in zijn verweerschrift heeft betoogd, verzet de goede procesorde zich niet tegen kennisname daarvan door de Afdeling.

2.2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de rechtbank, door te overwegen dat met een lichter middel dan bewaring had moeten worden volstaan, ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst en een eigen belangenafweging heeft gemaakt en deze in de plaats heeft gesteld van de door hem gemaakte belangenafweging. Door te overwegen dat de vreemdeling eerst bij besluit van 11 september 2007 ongewenst is verklaard, hij niet eerder in bewaring is gesteld en hij tot dat moment als rijksambtenaar werkzaam is gebleven, terwijl reeds bij besluit van 5 september 2003 tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd het bepaalde in artikel 1 (F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Gèneve van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna: het Vluchtelingenverdrag), aan de vreemdeling was tegengeworpen, heeft de rechtbank miskend dat de gronden de bewaring konden dragen en dat de staatssecretaris, gelet op de ernst van de door de vreemdeling gepleegde misdrijven en het gevaar dat hij daarom voor de openbare orde vormt, een belang heeft bij de inbewaringstelling. Tevens heeft de rechtbank miskend dat de omstandigheden in Afghanistan in het voorjaar van 2007 zodanig zijn veranderd dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zich niet langer tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet, aldus de staatssecretaris.

2.2.1. De grief slaagt. Aan de inbewaringstelling is ten grondslag gelegd dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert wegens het vermoeden van onttrekking aan uitzetting, omdat de vreemdeling niet over een identiteitspapier, als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) beschikt en hij ongewenst is verklaard.

Gelet op deze gronden heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de openbare orde de inbewaringstelling van de vreemdeling vorderde, omdat er aanwijzingen waren om te vermoeden dat hij zich aan zijn uitzetting zou onttrekken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 16 augustus 2005 in zaak nr. 200505443/1, JV 2005/396), dient de rechtbank indien gronden voor bewaring aanwezig zijn, het standpunt van de staatssecretaris of gelet op alle omstandigheden en het belang dat met de bewaring wordt gediend met een lichter middel kan worden volstaan terughoudend te toetsen.

Door te overwegen dat de staatssecretaris in redelijkheid had moeten volstaan met de toepassing van een lichter middel, omdat de vreemdeling naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate het vermoeden heeft weerlegd dat hij zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en zijn belangen bij invrijheidstelling zeer zwaar wegen, terwijl het door de staatssecretaris gestelde belang van de openbare orde naar het oordeel van de rechtbank moet worden gerelativeerd, heeft de rechtbank ten onrechte haar eigen oordeel voor dat van de tot dat oordeel bevoegde staatssecretaris in de plaats gesteld.

Gelet op de gronden die aan de inbewaringstelling ten grondslag zijn gelegd, in het bijzonder de grond dat de vreemdeling ongewenst is verklaard wegens het bepaalde in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen grond kan worden gezien om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien en het risico te aanvaarden dat de vreemdeling zich niet meer zou melden, zodra zijn uitzetting daadwerkelijk in zicht zou komen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg naar voren gebrachte beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.4. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat, nu hij was toegelaten als vluchteling en uit dien hoofde beschikte over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, aan de maatregel van bewaring ten onrechte ten grondslag is gelegd dat hij niet over een dergelijk document beschikt.

Bij besluit van 11 september 2007, uitgereikt op 25 oktober 2007, is, voor zover thans van belang, de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Derhalve beschikte hij ten tijde van de inbewaringstelling niet langer over een geldig identiteitsdocument als bedoeld in voormeld artikel. Het betoog faalt.

2.5. De vreemdeling heeft verder, met het oog op de toepassing van een lichter middel, betoogd dat het beleid van de staatssecretaris ten aanzien van vreemdelingen die wegens hun activiteiten in het verleden voor Afghaanse veiligheidsdiensten ongewenst zijn verklaard onduidelijk is, nu hij, anders dan bij hem bekende vreemdelingen, wel in bewaring is gesteld.

Voor zover de vreemdeling met dit betoog heeft beoogd een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, kan dit niet slagen, reeds omdat de door hem ter toelichting van zijn betoog overgelegde stukken onvoldoende concreet zijn.

2.6. De vreemdeling heeft verder betoogd dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 8 van het EVRM, geen zicht op uitzetting bestaat.

2.6.1. In het thans voorliggende beroep staat slechts de rechtmatigheid van het besluit van 25 oktober 2007 ter toets. Het verdraagt zich niet met het stelsel van de Vw 2000 dat de rechter die over dit besluit oordeelt, zich in dit geval daarbij tevens uitspreekt over de vraag of de vreemdeling een geslaagd beroep op de bescherming van de artikelen 3 en 8 van het EVRM kan doen. Reeds hierom faalt het betoog.

2.7. Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat het besluit van 11 september 2007, waarbij hij de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is ingetrokken en hij ongewenst is verklaard, geen stand kan houden, wordt overwogen dat in de thans voorliggende zaak uitsluitend het besluit van 25 oktober 2007, waarbij de vreemdeling in vreemdelingenbewaring is gesteld, ter beoordeling staat. De rechtmatigheid van het besluit van 11 september 2007 staat niet ter toets. Het betoog faalt.

2.8. Het inleidende beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 16 november 2007 in zaak nr. 07/40438;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008

53-513.

Verzonden: 11 januari 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak