Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1532

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200702867/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellant] een boete van € 4.000 op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd wegens het zonder tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) hebben laten verrichten van arbeid door [vreemdeling].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702867/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/5582 van de rechtbank Arnhem van 14 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellant] een boete van € 4.000 op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd wegens het zonder tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) hebben laten verrichten van arbeid door [vreemdeling].

Bij besluit van 26 september 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 maart 2007, verzonden op 15 maart 2007, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemachtigde van [appellant] namens hem bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 juni 2007. Bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep onderscheidenlijk de Raad van State ingekomen op 20 april 2007 onderscheidenlijk 24 april 2007, heeft [appellant] ook in persoon hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2007, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. A. Klein, advocaat te Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting is het door [appellant] in persoon ingestelde hoger beroep ingetrokken.

2.2.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 2˚, van de Wav wordt als werkgever aangemerkt de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder twv.

   Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

   Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

   Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder a, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250.                                                                                            Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.                                                                          

   Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), wordt bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

   Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

   Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij is aan te merken als werkgever in de zin van de Wav en dat hij in strijd met het in artikel 2, eerste lid, van de Wav neergelegde verbod heeft gehandeld. Daartoe voert [appellant] aan dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat hij de vreemdeling geen arbeid heeft laten verrichten, aangezien de vreemdeling hem op eigen initiatief heeft geholpen en hiervoor geen financiële vergoeding heeft ontvangen. Voorts is het eisen van een twv in een situatie als de onderhavige in strijd met een redelijke uitleg van artikel 2 en met de strekking van de Wav, aldus [appellant].

2.3.1.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde twv. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94 23 574, nr. 5, blz. 2).

   Blijkens het op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 23 november 2005, zoals aangevuld bij rapport van 3 april 2006, (hierna: het boeterapport) heeft de vreemdeling op 5 oktober 2005 in een autowerkplaats/sloperij werkzaamheden aan de auto van [appellant] verricht, bestaande uit het ontkoppelen van het motorblok.

   Voorts blijkt uit de bij het boeterapport behorende verklaringen van zowel de vreemdeling als [appellant] dat de vreemdeling de werkzaamheden op verzoek van [appellant] heeft verricht.

   De vreemdeling heeft derhalve ten dienste van [appellant] arbeid verricht. De gestelde omstandigheid dat sprake was van een vriendendienst leidt niet tot het oordeel dat [appellant] de vreemdeling geen arbeid in de zin van de Wav heeft laten verrichten, zoals ook blijkt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 24 oktober 2007 in zaak nr. 200702053/1. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat [appellant] als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken.    

   Voorts heeft de rechtbank, nu voor de arbeid geen twv was afgegeven, evenzeer terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] in strijd met het in artikel 2, eerste lid, van de Wav neergelegde verbod heeft gehandeld.

   Het betoog faalt.

2.4.    Voorts betoogt [appellant] dat, samengevat weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris van boeteoplegging had dienen af te zien dan wel het boetebedrag had dienen te matigen. [appellant] voert daartoe aan dat hij niet wist dat hij de geconstateerde overtreding beging en voorts dat hij de opgelegde boete niet kan betalen.

2.4.1.    In de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2007 in zaak nr. 200700456/1 is overwogen dat in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging wordt afgezien. Daartoe dient de werkgever aannemelijk te  maken dat hij de maximale van hem te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van de overtreding.

   In die uitspraak heeft de Afdeling tevens overwogen dat een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid aanleiding kan geven de boete te matigen.

   Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

2.4.2.    De omstandigheid dat [appellant] er niet van op de hoogte was dat hij een beboetbaar feit beging door de vreemdeling arbeid te laten verrichten zonder de benodigde twv, komt voor zijn rekening. Bij gebreke van kennis op dit punt, had het op de weg van [appellant] gelegen om zich daaromtrent vooraf te informeren. Van een situatie van het volledig ontbreken dan wel een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid is dan ook geen sprake.

   Voorts biedt hetgeen [appellant] omtrent zijn financiële positie heeft aangevoerd - te weten dat hij de boete niet kan betalen, omdat hij slechts een bijstandsuitkering ontvangt en het betalen van de boete ten koste zal gaan van de opvoeding van zijn zonen - geen aanleiding de overeenkomstig de Tarieflijst opgelegde boete te matigen, omdat door [appellant] niet aannemelijk is gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] in aanmerking kan komen voor een betalingsregeling.

   De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de boete ten onrechte is opgelegd dan wel diende te worden gematigd.

   Het betoog faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-De Vin    w.g. Beerse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

32-487.