Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200703380/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal (hierna: het college) aan de gemeente Lingewaal (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling verleend voor de werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van de eerste fase van het plangebied "Herwijnen Oost" (hierna: het project).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703380/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaak nrs. 07/843 en 07/845 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 10 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal (hierna: het college) aan de gemeente Lingewaal (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling verleend voor de werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van de eerste fase van het plangebied "Herwijnen Oost" (hierna: het project).

Bij uitspraak van 10 april 2007, verzonden op 25 april 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 januari 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 10 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2007, hoger beroep ingesteld.

Bij brieven van 20 juli 2007 en 9 augustus 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Vergunninghoudster is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2007, waar [appellant], in persoon, bijgestaan door mr. A.J.M.J. Werners, advocaat te Doorn, en het college, vertegenwoordigd door G. Bel, wethouder, en S. Willems, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De vrijstelling ziet zowel op activiteiten waarvoor een bouwvergunning is vereist als op bouwvergunningvrije activiteiten. De tegen de vrijstelling door [appellant] aangevoerde gronden hebben uitsluitend betrekking op laatstgenoemde activiteiten.

2.2.    Het project is in strijd met de ten tijde van het besluit van 16 januari 2007 ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Kom Herwijnen 1988" en "Waaldijk-Herwijnen 1e herziening". Teneinde het project mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.3.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.4.    De vrijstelling is verleend voor een geval behorende tot de door het college van gedeputeerde staten van Gelderland aangewezen categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het ten tijde van het besluit van 16 januari 2007 vereiste positieve advies als bedoeld in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) van de VROM-Inspectie ontbrak, zodat het college niet bevoegd was de vrijstelling te verlenen. Daarom heeft de voorzieningenrechter het besluit van 16 januari 2007 vernietigd. De rechtsgevolgen daarvan heeft hij echter in stand gelaten.

2.5.    [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college de vrijstelling in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen.  

2.5.1.    Dit betoog faalt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de weg langs het perceel van [appellant] niet de hoofdontsluiting van de wijk Herwijnen Oost zal vormen. Deze wijk zal worden ontsloten door middel van de zogenoemde middenas, die uitkomt op de Achterweg. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de voorzieningenrechter terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de - ter zitting bij de Afdeling herhaalde - toezegging van het college dat maatregelen zullen worden getroffen om doorgaand verkeer over de weg langs het perceel van [appellant] zo veel mogelijk te voorkomen. Het betoog van [appellant] dat vrachtverkeer ten behoeve van de nabijgelegen slachterij veelvuldig gebruik zal gaan maken van de weg langs zijn perceel, acht de Afdeling niet aannemelijk, nu ter zitting is gebleken dat de bestaande route via de kern Herwijnen, de Zworrelstraat en de Nieuwe Steeg korter is dan de route langs zijn perceel. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het wel niet ondenkbaar is dat [appellant] in enige mate hinder zal ondervinden als gevolg van de aan te leggen wegen, maar dat deze hinder niet onaanvaardbaar is.

   Het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de aan te leggen weg gedeeltelijk over de door de bij hem al meer dan twintig jaar als tuin in gebruik zijnde groenstrook zal worden aangelegd, faalt. Ter zitting heeft het college de bindende toezegging gedaan dat de aan te leggen weg niet (gedeeltelijk) over de groenstrook zal worden aangelegd. Inmiddels is het bestek voor de aanleg van de weg gegund, en ook daaruit blijkt dat de groenstrook wordt gerespecteerd.

   Anders dan [appellant] betoogt, heeft de voorzieningenrechter voorts met juistheid overwogen dat [appellant] zelf zijn standplaats behoudt, dat niet aannemelijk is geworden dat de reeds jarenlang bestaande situatie - waarin de woonwagen van de dochter van [appellant] zich op zijn standplaats bevindt - thans onhoudbaar is geworden en dat niet is gebleken dat voor de dochter van [appellant] binnen de gemeente geen andere mogelijkheden voor een standplaats ter beschikking staan.

   In het licht van het vorenoverwogene heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het college in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de VROM-Inspectie bij brief van 16 maart 2006 alsnog een positief advies als bedoeld in artikel 10 van het Bro 1985 heeft uitgebracht en het project naar het - in hoger beroep niet bestreden - oordeel van de voorzieningenrechter is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, heeft de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand gelaten.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Oudenaller

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

58-531.