Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200703202/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2005 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) geweigerd de geldigheidsduur te verlengen van de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Monsas Personeelsdiensten / Observatie & Onderzoeksbureau Monsas B.V." verleende vergunning voor de instandhouding van een recherchebureau en van de aan [appellant a] verleende toestemming om te worden belast met de leiding van deze onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703202/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant a], wonend te [woonplaats], België, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Monsas Personeelsdiensten B.V." en de commanditaire vennootschap "Monsas International Security C.V.", beide gevestigd te Best,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/1959 van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 maart 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Justitie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2005 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) geweigerd de geldigheidsduur te verlengen van de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Monsas Personeelsdiensten / Observatie & Onderzoeksbureau Monsas B.V." verleende vergunning voor de instandhouding van een recherchebureau en van de aan [appellant a] verleende toestemming om te worden belast met de leiding van deze onderneming.

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft de minister geweigerd aan de commanditaire vennootschap "Monsas International Security Company C.V." vergunning te verlenen voor de instandhouding van een particuliere beveiligingsorganisatie en aan [appellant a] toestemming voor het leidinggeven aan deze organisatie te verlenen.

Bij besluit van 2 februari 2006 heeft de minister de door appellanten tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2007, verzonden op 26 maart 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 juni 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2007, waar [appellant a], bijgestaan door mr. W. Nass, advocaat te Eindhoven, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.P. Drewes, ambtenaar op het departement, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr), is het verboden zonder vergunning van de minister door de instandhouding van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden te verrichten of aan te bieden.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verleend indien, gelet op de voornemens en antecedenten van de aanvrager of van de personen die het beleid van de aanvrager bepalen, naar redelijke verwachting zal worden voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 6 tot en met 10 gestelde regels en ook overigens zal worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goede beveiligingsorganisatie of een goed recherchebureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de minister.

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt de toestemming, bedoeld in het eerste lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

   Ingevolge artikel 4 van de Regeling particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de regeling) treft een beveiligingsorganisatie of recherchebureau maatregelen om te voorkomen dat persoons- en andere vertrouwelijke gegevens in handen van onbevoegden komen.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de regeling belast een beveiligingsorganisatie uitsluitend een persoon met beveiligingswerkzaamheden, indien deze in het bezit is van een op zijn naam gesteld diploma Beveiliger van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties en de Stichting Ecabo.

   Ingevolge artikel 10 van de regeling belast een recherchebureau uitsluitend een persoon met recherchewerkzaamheden, indien deze in het bezit is van een op zijn naam gesteld diploma particulier onderzoeker van de Stichting Vakexamens voor de Particuliere Beveiligingsorganisaties en de Stichting Ecabo.

2.1.1.    Ter uitvoering van de Wpbr heeft de minister criteria voor het bepalen van bekwaamheid en betrouwbaarheid als hiervoor bedoeld neergelegd in de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, gepubliceerd in de Staatscourant 1999, nr. 60 (hierna: de circulaire). Deze zijn van toepassing op aanvragen om verlening dan wel verlenging van een vergunning of toestemming als de onderhavige. Met betrekking tot de betrouwbaarheid die vereist is om leiding te mogen geven aan een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau is in paragraaf 2.1. van de circulaire neergelegd dat de toestemming wordt onthouden indien:

   a. de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of

   b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of

   c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

   In paragraaf 2.1. is, voor zover hier van belang, verder vermeld dat het er bij de toetsing aan het onder c bepaalde om gaat dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat, aldus de circulaire.

   In paragraaf 2.4. is, voor zover hier van belang, vermeld dat een vergunning pas zal kunnen worden verleend als ook toestemming voor de leidinggevende wordt verleend.

2.2.    Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 2 februari 2006.

2.3.    Appellanten voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 4 van de regeling niet door hen is nageleefd. Volgens appellanten is niet aannemelijk gemaakt dat er gevaar bestond dat persoons- en andere vertrouwelijke gegevens in handen van onbevoegden komen.

2.3.1.    De minister heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat appellanten niet voldaan hebben aan artikel 4 van de regeling verwezen naar een ambtsbericht van de Korpschef van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost van 22 juli 2005 en een aanvullend ambtsbericht van 31 augustus 2005. In deze ambtsberichten wordt verslag gedaan van een controlebezoek aan de bedrijfsruimte van appellanten door politieambtenaren op 13 juli 2005. Daarin is beschreven dat de bedrijfsruimte niet was beveiligd alsmede dat een zich in de bedrijfsruimte bevindende computer niet was beveiligd tegen gebruik door onbevoegden en dat daarop geen beveiligingssoftware was geïnstalleerd. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd biedt geen aanknopingspunt om aan de juistheid van de in de ambtsberichten weergegeven feiten en omstandigheden te twijfelen. Op grond van die feiten en omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten, in weerwil van hetgeen is vermeld op de aanvraagformulieren, niet hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 4 van de regeling. Dat, zoals appellanten betogen, niet aannemelijk is gemaakt dat er gevaar zou hebben bestaan dat persoons- en andere vertrouwelijke gegevens in handen van onbevoegden komen, is niet ter zake, nu de norm van artikel 4 van de regeling niet slechts geldt in gevallen waarin sprake is van gevaar dat persoons- en andere vertrouwelijke gegevens in handen van onbevoegden komen.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in strijd met de artikelen 2 en 7 van de Wpbr hebben gehandeld. Volgens hen valt niet in te zien dat het feit dat zij zich van meerdere rechtspersonen bedienen dan wel dat hun bedrijf enkele malen is verhuisd, zou betekenen dat sprake is van strijd met genoemde artikelen.

2.4.1.    Dit betoog faalt. De minister heeft zich in het besluit van 2 februari 2006 op het standpunt gesteld dat [appellant a] beveiligings- dan wel recherchebedrijven in stand houdt zonder over de daartoe vereiste vergunningen te beschikken en zonder de daarvoor vereiste toestemming te hebben verkregen. Hiertoe heeft de minister zich terecht beroepen op een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de commanditaire vennootschap "Alarm bewaking & receptieservices Monsas C.V.", waarin bij de doelomschrijving onder meer wordt vermeld "particuliere beveiliging" en "het beveiligen van terreinen en gebouwen, evenementen, horecagelegenheden en personen". Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze doelomschrijving onjuist is. Het dient er derhalve voor te worden gehouden dat deze commanditaire vennootschap werkzaamheden verricht overeenkomstig deze doelomschrijving. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten hebben gehandeld in strijd met de artikelen 2 en 7 van de Wpbr. De minister heeft dit mogen betrekken bij de beoordeling op de voet van artikel 4, eerste lid en artikel 7, vijfde lid van de Wpbr of naar redelijke verwachting zal worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goede beveiligingsorganisatie of een goed recherchebureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht en bij de beantwoording van de vraag of de leidinggevende beschikt over de vereiste betrouwbaarheid.

   Niet valt in te zien dat de minister het feit dat appellanten zich van meerdere rechtspersonen bedienen, waardoor een ondoorzichtige organisatiestructuur is ontstaan, niet heeft mogen betrekken bij de door hem te verrichten beoordeling.

2.5.    Appellanten betogen ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant a] over het diploma particulier onderzoeker had dienen te beschikken. Volgens appellanten is voor het optreden als leidinggevende geen diploma vereist en heeft [appellant a] geen activiteiten verricht waartoe hij niet bevoegd was.

2.5.1.    Ook dit betoog faalt. Niet in geschil is dat [appellant a] niet beschikt over de diploma's als bedoeld in de artikelen 5 en 10 van de regeling. "Monsas Personeelsdiensten B.V." en "Monsas International Security Company C.V." zijn éénmansbedrijven met [appellant a] als directeur en eigenaar. Uit het jaarverslag over 2004 blijkt dat deze éénmansbedrijven in dat jaar door de Wpbr genormeerde werkzaamheden hebben verricht. Gelet hierop is aannemelijk dat [appellant a] beveiligings- en recherchewerkzaamheden heeft verricht en naar redelijke verwachting zal verrichten zonder te beschikken over de vereiste diploma's. Dat, zoals appellanten betogen, het diplomavereiste van artikel 10 van de regeling voor 1 april 2004 niet gold voor [appellant a], doet hier niet aan af, reeds omdat dit vereiste na die datum wel voor hem gold en artikel 5 reeds onverkort van toepassing was.

2.6.    Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen het door appellanten niet bestreden oordeel van de rechtbank dat sprake is van een vermoeden dat [appellant a] valsheid in geschrifte heeft gepleegd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom [appellant a] niet beschikt over de vereiste betrouwbaarheid, hetgeen ingevolge artikel 4, eerste lid, en artikel 7, eerste en vijfde lid, van de Wpbr in de weg staat aan de gevraagde verlening van de vergunning en de toestemming en de gevraagde verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning en de toestemming. De rechtbank heeft dan ook de rechtsgevolgen van het besluit van 2 februari 2006 in stand mogen laten. Hetgeen appellanten verder nog aanvoeren met betrekking tot de vermeende huursubsidiefraude en het niet overleggen van gevraagde bedrijfsgegevens behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot een ander oordeel.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Können

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

301-512.