Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1529

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200703110/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend ten behoeve van een bouwplan voor woningen, commerciële ruimten, kantoren en een parkeervoorziening aan de Neerstraat/Paredisstraat te Roermond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703110/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Ruimte", gevestigd te Roermond,

appellante,

tegen de uitspraak in de zaken nrs. 06/1387 en 06/1388 van de

rechtbank Roermond van 4 april 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend ten behoeve van een bouwplan voor woningen, commerciële ruimten, kantoren en een parkeervoorziening aan de Neerstraat/Paredisstraat te Roermond.    

Bij besluit van 13 februari 2006 heeft het college aan vergunninghoudster bouwvergunning verleend voor het oprichten van vier woningen, het veranderen van een winkel/woonhuis en het oprichten van winkelruimte op de percelen Neerstraat 21, 23, 25, 27, 29 en 31 te Roermond (hierna: de percelen).

Bij afzonderlijke besluiten van 27 maart 2006 heeft het college aan vergunninghoudster sloopvergunning verleend voor het slopen van drie panden op de percelen Neerstraat 21, 29 en 31 en de gedeeltelijke sloop van een pand op het perceel Neerstraat 27 te Roermond.

Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college het door appellante tegen het besluit van 13 februari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het college het door appellante tegen de besluiten van 27 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen de besluiten van 27 juni 2006 en 18 juli 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 1 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 juni 2007 heeft vergunninghoudster een reactie ingediend.

Bij brief van 11 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. W.A.J. Cartigny, en het college, vertegenwoordigd door P.J.J.M. van Lierop en drs. H.J.W. Hondelink, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat

te Maastricht.

2.    Overwegingen

Met betrekking tot de sloopvergunningen

2.1.    Gebleken is dat de panden op de percelen Neerstraat 21, 27, 29 en 31 na een uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 3 juli 2007, waarbij een verzoek van appellante om een voorlopige voorziening in de onderhavige zaak werd afgewezen, zijn gesloopt. Appellante heeft in hoger beroep niet gesteld financieel nadeel te hebben geleden ten gevolge van de verlening van de sloopvergunningen voor bedoelde panden. Aldus bestaat bij appellante geen belang bij de beoordeling van de tegen de sloopvergunningen gerichte beroepsgronden. Het hoger beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de bouwvergunning      

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

   Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, wordt de verlening van de vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

2.3.    Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bij besluit van 5 oktober 2005 op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het bouwplan verleende vrijstelling buiten beschouwing dient te blijven.

   Gelet op artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet dient weliswaar in gevallen als deze in de bezwarenprocedure in beginsel ook de rechtmatigheid van de vrijstelling aan de orde te komen, doch nu appellante in bezwaar noch in beroep gronden naar voren heeft gebracht die daarop betrekking hebben, is de conclusie dan ook dat de vrijstelling door de rechtbank terecht buiten beschouwing is gelaten.  

2.4.    Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Roermond" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de percelen de bestemming "Centrumdoeleinden - CI -".    

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en sub e, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor behoud, bescherming, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht, zoals bedoeld in artikel 4 en nader uitgewerkt in de bij deze voorschriften als bijlage opgenomen "Atlas voor de Ruimtelijke Kwaliteitszorg" (hierna: de Atlas).

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften geldt met betrekking tot het bouwen binnen de grenzen van het op de kaart aangegeven beschermd stadsgezicht hetgeen in de Atlas is opgenomen. Deze Atlas is aanvullend op de voorschriften omtrent bebouwing, zoals opgenomen in de artikelen 8 tot en met 17 en heeft, bij strijdigheid daarmee, voorrang.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften zijn wijzigingen aan het beschermd stadsgezicht uitsluitend toegestaan nadat een cultuurhistorische analyse met waardestelling is uitgevoerd. Na vaststelling door burgemeester en wethouders van de cultuurhistorische analyse vormt deze, in samenhang met de stedenbouwkundige randvoorwaarden, waarvoor de Atlas richtinggevend is, de basis voor de planontwikkeling en voor de beoordeling van bouwplannen.

2.5.    Appellante betoogt dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste lezing van de planvoorschriften en de Atlas en aldus ten onrechte in navolging van het college heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met voormelde artikelen 4 en 8 van het bestemmingsplan.

2.5.1.    Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zowel de cultuurhistorische analyse met waardestelling van het Monumenten Advies Bureau (hierna: het MAB) als de Atlas de basis hebben gevormd van de beoordeling van het bouwplan zoals voorgeschreven in voormeld

artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften. Daarbij is in aanmerking genomen dat de Commissie Beeldkwaliteit in het kader van de welstandsadvisering reeds heeft vastgesteld dat het bouwplan voldoet aan de vereisten die de Atlas stelt. Ook volgt uit artikel 4 van de planvoorschriften niet dat het college de cultuurhistorische analyse met waardestelling bij de beoordeling van het bouwplan onverkort dient te volgen. De rechtbank heeft met betrekking tot de kelders terecht overwogen dat de Atlas voorschrijft dat gestreefd dient te worden naar behoud daarvan, zodat terecht voorbij is gegaan aan het betoog van appellante dat behoud van de kelders het uitgangspunt is. De rechtbank heeft ook voldoende aannemelijk kunnen achten dat, zoals tevens ter zittingen van de rechtbank van 23 november 2006 en van 8 maart 2007 en in de memorie van antwoord met betrekking tot de aan de nieuwbouw te stellen kwaliteitseisen nader is toegelicht, na het aftoppen en het afvullen van de kelders met zand deze in een zodanige vorm behouden zullen worden dat reconstructie mogelijk blijft. De enkele stelling van appellante dat de casco's als behoudenswaardig zijn aangemerkt, leidt voorts niet tot het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, nu de kwaliteit van die casco's bij nadere beschouwing met name voor wat betreft de constructie en stabiliteit onvoldoende is gebleken om deze te behouden.

2.6.    Appellante betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

2.6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 22 maart 2006 in zaak no. 200506325/1, mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan haar oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

2.6.2.    De rechtbank heeft, gelet op de schriftelijke aanvulling van het college van 18 december 2006 met betrekking tot de totstandkoming van het welstandsadvies en de daarbij in aanmerking genomen belangen, alsmede op de ter zitting van de rechtbank van 8 maart 2007 door het college gegeven nadere toelichting, terecht overwogen dat het college op het welstandsadvies heeft mogen afgaan. Het rapport van het MAB van april 2005, hoewel betrekking hebbend op enkele van de percelen, ziet niet op het bouwplan en kan derhalve niet als een tegen het welstandsadvies van 18 januari 2006 van de Commissie Beeldkwaliteit gericht advies worden aangemerkt. Voorts moet worden vastgesteld dat appellante ook in hoger beroep de inhoud van dat welstandsadvies louter heeft bestreden door daar haar eigen opvatting tegenover te stellen.

    De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college op het welstandsadvies mocht afgaan en dat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet. Het betoog faalt.

2.7.    Aan het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de bij besluit van 2 februari 2006 aan vergunninghoudster verleende monumentenvergunning voor het restaureren van het perceel Neerstraat 27 ten onrechte niet is gepubliceerd, waardoor bij de verlening van deze vergunning tevens ten onrechte geen belangenafweging heeft kunnen plaatsvinden, dient te worden voorbijgegaan, nu de gang van zaken met betrekking tot deze, onherroepelijk geworden, vergunning in dit geding niet aan de orde kan worden gesteld.

    In verband met deze onherroepelijke vergunning heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in voormeld artikel 44, eerste lid, aanhef en onder e, van de Woningwet.    

2.8.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank het beroep van appellante terecht ongegrond verklaard.

2.9.    Het hoger beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep, voor zover gericht tegen de sloopvergunningen, niet-ontvankelijk;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

328-530.