Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200703477/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft de burgemeester van Maastricht (hierna: de burgemeester) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "La Bonbonnière B.V." (hierna: "La Bonbonnière") ontheffing verleend van de reguliere sluitingstijden voor een periode van vijf jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703477/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1775 van de rechtbank Maastricht van 4 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Maastricht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft de burgemeester van Maastricht (hierna: de burgemeester) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "La Bonbonnière B.V." (hierna: "La Bonbonnière") ontheffing verleend van de reguliere sluitingstijden voor een periode van vijf jaar.

Bij besluit van 15 juni 2006, voor zover thans van belang, heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 4 juli 2007 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

Bij brief van 16 juli 2007 heeft "La Bonbonnière", door de Afdeling in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een memorie ingediend.

Bij brieven van 17 juli 2007, 9 oktober 2007 en 19 oktober 2007 heeft "La Bonbonnière" nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. F.A. Bijlenga, de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. N. Emre, ambtenaar in dienst van de gemeente, en "La Bonbonnière", vertegenwoordigd door mr. J.G.L. van Nus, advocaat te Maastricht, zijn verschenen. De zaak is gevoegd behandeld met het hoger beroep in zaak no. 200703478/1.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het in Paragraaf 1 "Toezicht op inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren" opgenomen artikel 2.3.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene plaatselijke verordening van Maastricht (hierna: de APV) wordt in deze paragraaf onder inrichting verstaan een voor het publiek toegankelijke ruimte:

1. waarin enig horecabedrijf, tot de uitoefening waarvan behoort het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt uitgeoefend;

2. waarin de werkzaamheid, bestaande uit het anders dan bedrijfsmatig en anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt uitgeoefend;

3. waar bedrijfsmatig, al dan niet door middel van een automaat, eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt.

Onder inrichting als hier bedoeld wordt mede verstaan een bij de inrichting behorend terras en andere aanhorigheden.

   Ingevolge artikel 2.3.1.4, eerste lid, van de APV is het de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, onder a, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

a. van maandag tot en met vrijdag van 02.00 uur tot 05.00 uur;

b. op zaterdag en zondag van 03.00 uur tot 05.00 uur.

   Ingevolge het tweede lid kan de burgemeester, ten behoeve van een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid onder a, sub 1 en 2, voor bepaalde tijd een ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod, voor zover het betreft;

a. een inrichting, welke is gelegen in een horecaconcentratiegebied;

b. een grootschalige inrichting met een bovenstedelijke functie;

c. een studentensociëteit.

2.1.1.    De burgemeester heeft in het besluit op bezwaar verwezen naar de door de gemeenteraad van Maastricht op 3 december 1996 vastgestelde Horecanota Maastricht 1997-2005 (hierna: de Horecanota) alsmede naar de door hem bij besluit van 12 oktober 1999 vastgestelde toetsingscriteria voor "ontheffingen nachtzaken" (hierna: de toetsingscriteria). Deze toetsingscriteria betreffen in hoofdzaak het soort onderneming, de situering van het horecabedrijf, de persoon van de bedrijfsleider dan wel beheerder en de akoestische situatie.

2.2.    Appellant betoogt dat de verleende ontheffing in strijd is met het beleid, zoals neergelegd op bladzijde 39 van de Horecanota. Volgens dit beleid worden slechts beperkte mogelijkheden geboden voor ontheffingen voor nachtzaken, aldus appellant. Hij stelt dat een ontheffing voor alle dagen in de week niet strookt met het beleid omdat de ontheffing geen enkele beperking inhoudt.

2.2.1.    Op bladzijde 39 van de Horecanota wordt vermeld:

   "Naast de reguliere nachtzaken in concentratiegebieden, vinden wij het wenselijk om qua nachtleven beperkt mogelijkheden te bieden aan grootschalige inrichtingen met een bovenstedelijke functie die naast horeca-activiteiten bij voorkeur ook activiteiten ontplooien op het gebied van cultuur. Als onderdeel van de herziening van de criteria voor nachtzaken, zullen wij het begrip 'grootschalige horecavoorziening met een bovenstedelijke functie' nader definiëren. Aan de hand van de bijgestelde criteria zullen wij dergelijke specifieke aanvragen per geval beoordelen".

2.2.2.    Uit de hierboven aangehaalde passage volgt niet dat een ontheffing verleend aan een inrichting die is gelegen buiten de concentratiegebieden, zoals de in dit geding voorliggende ontheffing, slechts voor een beperkt aantal dagen van de week kan worden verleend. Naar de burgemeester ter zitting heeft toegelicht, is met deze passage en in het bijzonder met de daarin opgenomen woorden "beperkt mogelijkheden te bieden" bedoeld uit te drukken dat aan zulke inrichtingen slechts in bepaalde gevallen ontheffing zal worden verleend. Met het vaststellen van de toetsingscriteria heeft de burgemeester onder meer nader aangegeven aan welke, op voormelde onderwerpen betrekking hebbende maatstaven moet zijn voldaan, wil een aanvraag om ontheffing ten behoeve van een buiten de concentratiegebieden gelegen inrichting voor inwilliging in aanmerking komen. Uit de toetsingscriteria blijkt dat ten aanzien van zowel de soort onderneming als de situering bijzondere eisen worden gesteld voor zover het om inrichtingen buiten de concentratiegebieden gaat. Het betoog faalt derhalve.

2.3.    Appellant voert verder aan dat de burgemeester de verantwoordelijkheid voor de naleving van de aan de ontheffing verbonden beperkingen en voorschriften ten onrechte primair legt bij de betrokken ondernemer, waardoor omwonenden afhankelijk zijn van de effectiviteit van diens inspanningen, welke onvoldoende is. Aldus schiet de burgemeester te kort bij de handhaving van de beperkingen en voorschriften. Voorts voert hij aan dat evenmin handhavend wordt opgetreden tegen de niet-naleving van de nadere eisen, die het college van burgemeester en wethouders van Maastricht bij besluit van 8 maart 2005 krachtens het Besluit horeca-, sport-, en recreatie-inrichtingen milieubeheer aan "La Bonbonnière" heeft gesteld.

2.3.1.    Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de onderhavige ontheffing handhavingsaspecten niet aan de orde zijn.

2.4.    Voor het overige heeft appellant volstaan met enkele verwijzing naar de voor de rechtbank aangevoerde gronden die door haar gemotiveerd zijn verworpen. Dit leidt evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom     w.g. Können

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

301-512.