Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1520

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200703389/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bolsward (hierna: het college) aan de stichting "Woningstichting De Friese Greiden" (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw op het perceel Looiersbuurt 2 tot en met 50 te Bolsward (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008/152 met annotatie van P.A. Willemsen
ABkort 2008/62
JOM 2008/151
JB 2008/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703389/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Bolswards Historie", gevestigd te Bolsward,

appellante,

tegen de uitspraak in de zaken nrs. 07/585 en 7/80 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 28 maart 2007

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Bolsward.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bolsward (hierna: het college) aan de stichting "Woningstichting De Friese Greiden" (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw op het perceel Looiersbuurt 2 tot en met 50 te Bolsward (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 februari 2006 vernietigd.

Bij besluit van 1 december 2006 heeft het college, opnieuw beslissend op het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 4 oktober 2005, de vrijstelling en bouwvergunning in stand gelaten.

Bij uitspraak van 28 maart 2007, verzonden op 3 april 2007, heeft de voorzieningenrechter het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 augustus 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door R. Hofstra en P. Veldmans, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.E. de Hoo, ambtenaar van de gemeente, en J. Brouwer, wethouder van de gemeente, zijn verschenen. Vergunninghoudster, de stichting "Stichting Philadelphia Zorg" en het college van gedeputeerde staten van Fryslân zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

   

2.    Overwegingen      

2.1.    Het project voorziet in het oprichten van 22 appartementen dan wel wooneenheden en drie woon- dan wel eetkamers bestemd voor de huisvesting van verstandelijk en lichamelijk gehandicapte mensen. Het gebouw zal worden voorzien van een gelede massa in de opbouw en één tot drie bouwlagen bevatten en 9,25 m hoog zijn, behoudens voor wat betreft de liftschacht, die een hoogte van 9,75 m zal krijgen.

2.2.    Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de op grond van het bestemmingsplan "Martinikerk e.o." ter plaatse geldende bestemmingen "Bijzondere doeleinden" met de aanduiding "OB" en "Groenvoorzieningen". Teneinde medewerking aan het bouwplan te kunnen verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).    

2.2.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.2.2.    De ruimtelijke onderbouwing van het project wordt gevormd door hetgeen daaromtrent is overwogen in het "Structuurplan Bolsward 2000-2015" en de notitie "Ruimtelijke onderbouwing Looiersbuurt 1A" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing).

2.3.    Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juni 2006 uitsluitend in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening en niet in de hoofdzaak is overwogen dat het college het project heeft voorzien van een voldoende ruimtelijke onderbouwing.

2.3.1.    Dit betoog slaagt. Gelet op de wijze waarop de uitspraak van 21 juni 2006 is onderverdeeld, te weten in een gedeelte dat betrekking heeft op de hoofdzaak en een gedeelte dat betrekking heeft op de gevraagde voorlopige voorziening, en op de bewoordingen van die uitspraak moet worden vastgesteld dat het door de voorzieningenrechter in die uitspraak gegeven oordeel omtrent de ruimtelijke onderbouwing uitsluitend is gegeven in het kader van de voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De overwegingen met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing maken dan ook geen deel uit van de met toepassing van artikel 8:86 van Awb gegeven uitspraak in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter heeft derhalve bij de thans aangevallen uitspraak ten onrechte overwogen dat de tegen de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan gerichte beroepsgronden van appellante in de uitspraak van 21 juni 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen.

2.4.    De Afdeling zal alsnog de door appellante tegen de ruimtelijke onderbouwing aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

2.5.    Appellante betoogt dat de door het college opgestelde ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen van artikel 19, eerste lid, van de WRO. Zij voert daartoe aan dat, nu het bouwplan is voorzien in het beschermd stadsgezicht van Bolsward, in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet uitvoerig is omschreven waarom het bouwplan passend is in en voldoende aansluit bij het beschermd stadsgezicht.

Appellante meent voorts dat de hoogte en de massa van het bouwplan niet passen binnen het beschermde stadsgezicht.

2.5.1.    In de ruimtelijke onderbouwing is met betrekking tot de planologische en stedenbouwkundige aspecten opgenomen dat in de toelichting bij het aanwijzingsbesluit van het stadsgezicht alleen het Hoog Bolwerk en het plantsoen worden vermeld en dat in algemene zin nieuwbouw als passend in het stadsgezicht wordt gewaardeerd. Voorts is daarbij betrokken dat in het bestemmingsplan het gebied wordt gerekend tot de "zone C", met relatief de minst cultuurhistorische waarde. Er wordt gesteld dat aldus vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen rechtstreekse aanwijzing is te ontlenen voor de herinrichting en dat als richtinggevende elementen worden beschouwd het respecteren van voormeld Hoog Bolwerk en het plantsoen, het aansluiten bij de schaal van de bestaande bebouwing in de directe omgeving en nieuwbouw op enige afstand van de straat (Looiersbuurt) achter een structurele boombeplanting.

   Gelet hierop moet worden vastgesteld dat, anders dan appellante aanvoert, in de ruimtelijke onderbouwing het bouwplan aan die aspecten is getoetst.

2.5.2.    Weliswaar wijkt de thans vergunde hoogte af van de hoogte die op basis van het bestemmingsplan maximaal is toegestaan, maar deze afwijking is, gelet op het gestelde in de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de gekozen aansluiting bij de hoogte van de bestaande bebouwing in de omgeving, waaronder het gebouw van de dienst Gemeentewerken, niet zo groot dat het college om die reden in redelijkheid niet tot verlening van de vrijstelling heeft kunnen besluiten. Dit geldt eveneens voor de bouwmassa, nu het college ten aanzien hiervan, aansluitend bij het daaromtrent uitgebrachte welstandsadvies, gemotiveerd uiteen heeft gezet dat door geleding in de hoofdvorm en een beoogde opbouw in bouwlagen het project in overeenstemming met de schaal van de aangrenzende bebouwing in de Looiersbuurt is. Dat in het door appellante in het geding gebrachte tegenadvies anders over een en ander wordt gedacht, vormt geen grond voor het oordeel dat het college niet op het welstandsadvies heeft mogen afgaan.

2.5.3.    Voorts betoogt appellante dat na de behandeling ter zitting van de voorzieningenrechter op 19 juni 2006 een tot dan toe niet bekende tekening aan het dossier is toegevoegd.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat op 7 juni 2006, derhalve ruim voordat opnieuw op het bezwaar is beslist, een gewijzigde bouwtekening is ingediend, waardoor, anders dan aanvankelijk was vergund, het bouwwerk niet in een deel van het rijksmonument het "Hoog Bolwerk" zal worden gerealiseerd. Nu het een wijziging van ondergeschikte aard betreft en deze wijziging onderdeel is gaan uitmaken van de bouwvergunning kan deze wijziging, anders dan appellante aanvoert, niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt.

2.6.    Tot slot betoogt appellante dat bij aanvang van de bouwwerkzaamheden toch een deel van het rijksmonument is afgegraven.

   Dit betoog ziet op de uitvoering van de feitelijke werkzaamheden en dient in het kader van het voorliggende geschil ter zake van de verleende vrijstelling en bouwvergunning buiten beschouwing te blijven.

2.7.    Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Nu het dictum van de aangevallen uitspraak juist is, dient deze uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

328-530.