Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200703814/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het woonschip "[naam]" (hierna: het woonschip) voor 14 juli 2005 uit de wateren van Amsterdam te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703814/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/5574 van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het woonschip "[naam]" (hierna: het woonschip) voor 14 juli 2005 uit de wateren van Amsterdam te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2007, verzonden op 25 april 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 augustus 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2007, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door E.P. Blaauw, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge het tweede lid wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen (hierna: de verordening) draagt het college van burgemeester en wethouders, met inachtneming van artikel 165 van de Gemeentewet, al zijn bevoegdheden over aan het dagelijks bestuur van het stadsdeel.

   Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, zijn van de overdracht, bedoeld in het tweede lid, uitgezonderd de bevoegdheden opgenomen in de bij deze verordening behorende bijlage, lijst A.

   In lijst A, onderdeel XVIII, derde lid onder d, van de bijlage bij de verordening is, voor zover thans van belang, vermeld: de vaststelling van de Verordening op de haven en het binnenwater (hierna: de Vhb), alsmede de uitvoering van deze verordening voor zover het betreft artikel 2.2.3 (2.2, vierde lid, oud).

Ingevolge artikel 2.2.3 van de Vhb is het verboden in de gemeente ligplaats in te nemen, nadat een ligplaatsvergunning als bedoeld in de paragrafen 2.3 en 2.4 of ontheffing als bedoeld in paragraaf 2.5 is geweigerd, dan wel voor deze bepalingen een aanzegging tot bestuursdwang of een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom is genomen, tenzij het de door het college aangewezen ligplaatsen betreft als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid.

2.2.    [appellant] heeft sedert 1998 zonder vergunning ligplaats ingenomen in de stadsdelen Zuider Amstel, Zeeburg en Amsterdam-Centrum. Door het dagelijks bestuur van deze stadsdelen is [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het woonschip uit de wateren van het desbetreffende stadsdeel te verwijderen en verwijderd te houden. Vervolgens heeft [appellant] vanaf mei 2005 ligplaats ingenomen aan de Silodam in de Oude Houthaven in het stadsdeel Westerpark. Voor deze ligplaats heeft [appellant] een ligplaatsvergunning aangevraagd. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark heeft bij besluit van 5 juli 2005 deze aanvraag afgewezen. Naar aanleiding van het vorenstaande heeft het college bij voormeld, in bezwaar gehandhaafd, besluit van 5 juli 2005 [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het woonschip uit de wateren van Amsterdam te verwijderen en verwijderd te houden.

2.3.    [appellant] bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd is handhavend op te treden door middel van toepassing van bestuursdwang. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de bevoegdheid tot het toekennen van een ligplaatsvergunning bij het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark berust en dit evenzeer heeft te gelden voor de bevoegdheid met betrekking tot het handhavend optreden wanneer een ligplaats wordt ingenomen zonder ligplaatsvergunning.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Het college heeft ingevolge artikel 28, tweede lid, van de verordening onder meer de bevoegdheid tot het verlenen van ligplaatsvergunningen aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen gedelegeerd. Ingevolge het vierde lid van dit artikel zijn enkele bevoegdheden van deze overdracht uitgesloten. Dit geldt, gelet op het bepaalde in lijst A van de bijlage bij de verordening, gelezen in samenhang met de Vhb, onder meer voor de bevoegdheid om handhavend op te treden indien het in artikel 2.2.3 van de Vhb neergelegde verbod op het innemen van een ligplaats nadat reeds een ligplaatsvergunning is geweigerd of bestuursdwang is aangezegd, wordt overtreden. Wanneer een vergunning door een dagelijks bestuur van een stadsdeel is geweigerd, gaat ingevolge deze zogenoemde anti-hopbepaling een absoluut verbod op het innemen van een ligplaats binnen de gehele gemeente gelden. Dit verbod moet worden onderscheiden van de door verlening van vergunning door het dagelijks bestuur van de stadsdelen te doorbreken verboden, neergelegd in, onder meer, artikel 2.3.1, eerste lid, van de Vhb, ter handhaving waarvan het dagelijks bestuur bevoegd is. Ten aanzien van de anti-hopbepaling heeft het college de bevoegdheid tot het handhavend optreden tegen overtredingen aan zich gehouden. Nu vaststaat dat de door appellant aangevraagde ligplaatsvergunning is geweigerd en deze aanvraag niet zag op een ligplaats als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid, van de Vhb, was het college bevoegd bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen te treffen.

2.4.    Voor zover [appellant] betoogt dat het college in het onderhavige geval ten onrechte tot handhavend optreden is overgegaan overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

   Door de uitspraak van de Afdeling van heden, zaak no. 200703812/1 is het besluit van het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Westerpark van 14 december 2005, waarin het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 5 juli 2005 tot weigering van een ligplaatsvergunning, ongegrond is verklaard, in rechte onaantastbaar geworden. Hierdoor bestaat geen concreet uitzicht op legalisatie.

   Ook hetgeen overigens door [appellant] is aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het handhavend optreden zodanig onevenredig moet worden geacht in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in het onderhavige geval diende te worden afgezien.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom   w.g. Den Broeder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

312-538.