Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200706679/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 7 mei 2007 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2008/2 met annotatie van Van der Meijden
BA 2008/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706679/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 7 mei 2007 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 7 september 2007, verzonden op diezelfde datum, heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 november 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van [appellante]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 13 december 2007. Partijen zijn daar niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In artikel 4.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV) is bepaald dat de inzameling van afvalstoffen kan plaatsvinden via een door of vanwege de gemeente verstrekte of geplaatste inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen. Ingevolge het tweede lid kan het college aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel(en) of -voorziening(en) de inzameling van bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

   Ingevolge artikel 4.2.11, eerste lid, is het voor de gebruiker van een perceel ten behoeve waarvan krachtens artikel 4.2.4, tweede lid, een inzamelvoorziening voor een bepaalde categorie afvalstoffen is aangewezen, verboden de desbetreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via die inzamelvoorziening.

   Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.2.    Vast staat dat het college bevoegd was handhavend op te treden ten aanzien van de onjuist aangeboden zak met huisvuil en dat de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid tot [appellante], zodat zij, nu van het tegendeel niet is gebleken, als overtreder als bedoeld in artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt, zodat zij de kosten verschuldigd is die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang tenzij deze redelijkerwijs niet of niet geheel op haar dienen te worden verhaald.

2.3.    [appellante] betoogt dat niet zij zelf, maar, op haar verzoek, een medewerkster van de Dienst voor Reiniging, Ontsmetting,Transport en Bedrijfswerkplaatsen van de gemeente Rotterdam (hierna: de ROTEB) haar vuilniszak heeft aangenomen om deze aan te bieden. Vanwege haar hoge leeftijd en het feit dat zij slecht ter been is, is zij niet in staat zelf het huishoudelijk afval aan te bieden en roept daartoe altijd de hulp van derden in. Direct nadat zij het besluit van 5 juni 2007 had ontvangen heeft zij naar de gemeente Rotterdam gebeld en de situatie uitgelegd. De medewerkster met wie zij toen sprak benadrukte dat het verder wel in orde zou komen. Daarna volgden echter alleen maar juridische dreigbrieven. Vervolgens heeft zij nog één, formeel getoonzet, telefonisch gesprek gevoerd met een juriste die haar bezwaar behandelde. [appellante] verwijt het college dat het verder niets heeft ondernomen om de juistheid van haar verhaal te controleren.

2.3.1.    Het college stelt dat de afvalcontainer op het moment dat het huishoudelijk afval werd aangetroffen niet goed functioneerde, maar dat er binnen 75 meter een inzamelvoorziening aanwezig was die niet vol was en goed functioneerde, zodat [appellante] het huishoudelijk afval in deze inzamelvoorziening had kunnen deponeren. Het acht het door [appellante] gestelde zeer onaannemelijk omdat haar verklaring dat de controleur per abuis haar huisvuil ter inspectie heeft meegenomen in strijd is met het opgemaakte proces verbaal dat melding maakt van een naast de container aangetroffen plastic tas met huisvuil. Naar de mening van het college blijft [appellante], ook als iemand anders in haar opdracht haar huisvuil verkeerd plaatst, verantwoordelijk voor het aanbieden van haar huishoudelijk afval.

2.3.2.    Gegeven haar, door het college niet bestreden, persoonlijke omstandigheden, heeft [appellante] op verantwoorde wijze gehandeld door, zoals zij heeft gesteld, haar huishoudelijk afval mee te geven aan een medewerkster van de ROTEB. Van iemand die voor deze gemeentelijke dienst werkzaam is, kan immers worden verwacht dat op een juiste wijze met het afval wordt omgegaan. [appellante] heeft deze gang van zaken tijdig ter kennis van het college gebracht. Het had vervolgens op de weg van het college gelegen om bij de ROTEB navraag te doen. Dit heeft het college ten onrechte nagelaten. De bestreden beslissing op bezwaar is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid en tevens in strijd met artikel 7:12 van die wet ondeugdelijk gemotiveerd.

2.4.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar komt voor vernietiging in aanmerking.

2.5.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 7 september 2007, kenmerk A.B.2007.2.04997/PK;

III.    gelast dat de gemeente Rotterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd     w.g. Zegveld

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

43-209.