Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200704352/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft de burgemeester van Delft (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouders] vergunning verleend voor de exploitatie van het horecabedrijf [Restaurant] met bijbehorend tuinterras, gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 62 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
Module Horeca 2008/1149
Module Geluid en Luchtkwaliteit 2008/73
ABkort 2008/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704352/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/3539 van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Delft.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft de burgemeester van Delft (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghouders] vergunning verleend voor de exploitatie van het horecabedrijf [Restaurant] met bijbehorend tuinterras, gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 6 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit heeft de burgemeester op 27 april 2006 bekrachtigd.

Bij uitspraak van 15 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. drs. I.F.M. Kwint, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. N. Boslooper, mr. F.P. van der Linden en R. van der Plas, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, voor zover daarbij vergunning is verleend voor de exploitatie van een tuinterras.

   De burgemeester heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het door de burgemeester in zijn verweerschrift en ter zitting gedane verzoek om de aangevallen uitspraak te vernietigen, dient derhalve buiten beschouwing gelaten te worden.

2.2.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Exploitatieverordening Horeca Delft 1998 (hierna: de verordening) is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond rekening met:

a. het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;

b. de aard van het horecabedrijf;

c. de spanning, waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf;

d. de concentratie van reeds aanwezige horecabedrijven in een bepaald gebied en het gevaar van cumulatie van overlast.

   Ingevolge het geldende bestemmingplan "Binnenstad" rust op het gedeelte van het perceel waar het pand van het horecabedrijf zich bevindt de bestemming "Gemengde doeleinden" met de nadere aanduiding "dag- en avondhoreca I". Op het gedeelte van het perceel waar het tuinterras zich bevindt, rust de bestemming "Erf".

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder aq, van de planvoorschriften wordt onder "erf" verstaan: een aaneengesloten stuk grond behorende bij een of meer hoofdgebouwen dat geheel of ten dele verhard en bebouwd is, dat mede dient als particuliere buitenruimte, dan wel dient als bebouwd en/of onbebouwd gebied ten behoeve van de hoofdgebouwen.

2.3.    De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het tuinterras voor horecadoeleinden niet in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe heeft zij overwogen dat voor zover op de plankaart aan een gedeelte van de grond de aanduiding "Erf" is toegekend, deze in het licht van de op het perceel rustende bestemming "Gemengde doeleinden" en de aanduiding "horeca" moet worden bezien.

2.3.1.    Appellant bestrijdt dit oordeel. De burgemeester had volgens hem de vergunning voor het terras moeten weigeren omdat de aan het tuinterras toegekende bestemming "Erf" duidt op een gebruik als particuliere buitenruimte en niet op een gebruik als openbaar toegankelijk restaurant. De overweging van de rechtbank hieromtrent is niet gebaseerd op een bepaling in het bestemmingsplan, aldus appellant.

2.3.2.    Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder aq, van de planvoorschriften valt onder het begrip "erf" niet slechts een stuk grond behorend bij een hoofdgebouw dat wordt gebruikt als particuliere buitenruimte maar tevens een stuk grond behorend bij een hoofdgebouw, niet zijnde particuliere buitenruimte, dat dient ten behoeve van dat hoofdgebouw. Hieruit volgt dat in dit geval het erf, nu het hoofdgebouw een horecabestemming heeft, mag worden gebruikt ten behoeve van horecadoeleinden. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals appellant veronderstelt, dit toegestane gebruik beperkt moet worden geacht tot het gebruik voor opslag ten behoeve van het horecabedrijf. Gebruik van het erf als tuinterras ten behoeve van het horecabedrijf is niet in strijd met het bestemmingsplan.

2.4.    De rechtbank is voorts van oordeel dat de burgemeester zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2006 in zaak no. 200507130/1 (lees: zaak no. 200507103/1), op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat het belang van het tegengaan van geluidhinder, afkomstig van bezoekers van het tuinterras, geen belang is dat kan worden betrokken bij de beoordeling of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door het verlenen van de exploitatievergunning.

   De burgemeester heeft naar haar oordeel terecht in aanmerking genomen dat het gaat om inrichtinggebonden geluidhinder ter regulering waarvan in het op de Wet milieubeheer steunende Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) sluitende bepalingen zijn opgenomen.

     De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat het betoog dat het karakter van de straat, de aard van het horecabedrijf, de concentratie van horecabedrijven en de spanning, waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse zal worden blootgesteld, ten onrechte niet in de belangenafweging zijn betrokken, geen grond vormt voor het oordeel dat de burgemeester de vergunning in redelijkheid had moeten weigeren.

2.4.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verlenen van de exploitatievergunning voor het tuinterras een onaanvaardbare inbreuk op het woon- en leefmilieu ter plaatse vormt omdat het tuinterras wat betreft karakter niet past tussen rustige achtertuinen van woonhuizen met slaapkamers aan de tuinzijde. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat zijn slaapkamers op een afstand van 2 à 3 meter van de grens van het terras zijn gelegen. De rechtbank heeft volgens appellant ten onrechte overwogen dat, nu geluidhinder sluitend is geregeld in het Besluit, dit in de weg staat aan toepassing van artikel 8, derde lid, van de verordening. Hiertoe voert appellant aan dat uit gemelde uitspraak volgt dat het feit dat geluidhinder geregeld is in het Besluit onverlet laat dat de burgemeester moet afwegen of een terras op een bepaalde plaats toelaatbaar is, gelet op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat aldaar.

2.4.2.    Dit betoog slaagt. Gelet op het bepaalde in het derde lid van artikel 8 van de verordening zal bij de besluitvorming omtrent de aanvraag van een vergunning door de burgemeester moeten worden beoordeeld of de aanwezigheid van een terras op de beoogde locatie inbreuk maakt op het te beschermen woon- en leefklimaat van die locatie of het gebied waartoe die locatie behoort. Het standpunt van de burgemeester dat hierbij geen rekening mag worden gehouden met geluid berust op een onjuiste lezing van gemelde uitspraak van 26 april 2006. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer die uitspraak is het toegelaten geluidniveau bij de beoordeling of het woon- en leefklimaat wordt aangetast een gegeven en zal er van moeten worden uitgegaan dat het terras aan de in het Besluit gestelde regels voldoet. De beoordeling of het tuinterras aan de gestelde milieunormen voldoet kan derhalve uitsluitend in het kader van de handhaving van de Wet milieubeheer aan de orde kan komen. Dit betekent echter niet dat de burgemeester aan geluidaspecten geheel voorbij kan gaan. Het geluid, voor zover dit valt binnen de volgens de milieuwetgeving gestelde normen, maakt deel uit van de uitstraling van het tuinterras in zijn totaliteit op de omgeving en had in aanmerking genomen moeten worden bij de te verrichten beoordeling of de kwaliteit van het woon- en leefklimaat door het vergunnen van het tuinterras niet te zeer wordt aangetast. De burgemeester had hierbij belang moeten hechten aan de omstandigheid dat het tuinterras dat plaats biedt aan ongeveer 20 personen en dat ingevolge de vergunning elke dag van de week tot 1.00 uur geopend mag zijn, direct grenst aan de tuin van appellant en op korte afstand ligt van diens slaapkamers.

   De Afdeling is dan ook van oordeel dat de burgemeester bij zijn besluitvorming ten onrechte niet alle relevante belangen heeft meegewogen en zich ter zitting ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eventuele overlast van het tuinterras alleen achteraf kan worden vastgesteld en alsdan aanleiding zou kunnen geven voor handhavend optreden.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten in zoverre daarbij vergunning is verleend voor de exploitatie van een tuinterras. De burgemeester dient een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6.    De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 mei 2007 in zaak no. 06/3539, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, in zoverre daarbij de vergunning voor de exploitatie van een tuinterras is gehandhaafd;

III.    veroordeelt de burgemeester van Delft tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 651,13 (zegge: zeshonderdeenenvijftig euro en dertien cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Delft aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Delft aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom     w.g. Klein

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.

176-497.