Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
200702569/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2006 heeft de gemeenteraad van Heerlen het bestemmingsplan "Heerlen-West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702569/1.

Datum uitspraak: 9 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2006 heeft de gemeenteraad van Heerlen het bestemmingsplan "Heerlen-West" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 februari 2007, kenmerk 07/7774, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2007, waar [appellant], in persoon, en bijgestaan door mr. J.J.G. Palmen zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Erf (E)", voor zover het betreft het perceel [locatie]. [appellant] richt zich tegen de hieraan ten grondslag liggende motivering en daartoe voert hij aan dat als gevolg hiervan bij het ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO vast te stellen bestemmingsplan ten onrechte geen afwegingsruimte voor de gemeenteraad meer zou bestaan om de bestaande bedrijfsactiviteiten als zodanig te bestemmen.

2.3.    Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Erf (E)" aangegeven gronden bestemd voor erf, tuin of parkeren.

   Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften mag het legale gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet.

2.4.    Op het perceel [locatie] staat een loods, die wordt gebruikt ten behoeve van een glashandel. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Welten Kommert III" had het perceel eveneens een erfbestemming en viel het gebruik ten behoeve van de glashandel onder het overgangsrecht.

2.5.    Verweerder heeft overwogen dat het bestaande gebruik van de loods ten behoeve van de glashandel dat reeds onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel in dit geval niet opnieuw onder het overgangsrecht mocht worden gebracht, aangezien niet aannemelijk is gemaakt dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. In een dergelijk geval dient de gemeenteraad volgens verweerder in beginsel de keuze te maken tussen het als zodanig bestemmen van het gebruik of het opnemen van een uitsluitend aan de persoon van appellant gebonden overgangsrecht. In dit geval is volgens verweerder een zogenoemde uitsterfregeling of persoonsgebonden overgangsrecht aangewezen. In zijn verweerschrift is verweerder op dit standpunt teruggekomen door aan te geven dat voor het perceel een passende regeling moet worden getroffen en dat daarbij alle relevante belangen moeten worden afgewogen en in dit verband heeft hij nadrukkelijk overwogen dat zijn besluit er niet toe leidt dat de gemeenteraad in dit verband geen afwegingsruimte heeft bij het toekennen van een passende bestemming voor het perceel. De Afdeling stelt vast dat in het bestreden besluit bedoelde afwegingsruimte echter niet is gegeven en dat de keuze voor het als zodanig bestemmen van het gebruik, zonder zogenoemde uitsterfregeling, door verweerder is uitgesloten, terwijl hij dat blijkens zijn verweerschrift niet heeft beoogd.

   Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat verweerder de gegeven motivering niet in redelijkheid ten grondslag heeft kunnen leggen aan dit besluit.

   Het beroep van [appellant] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Erf (E)" aan de [locatie]. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit omtrent goedkeuring van 27 februari 2007 in stand blijven. Bij de toepassing van artikel 30, eerste lid, van de WRO zal de gemeenteraad acht dienen te slaan op hetgeen in deze uitspraak is overwogen.  

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 27 februari 2007, kenmerk 07/7774, voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Erf (E)" aan de [locatie];

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II. vernietigde deel van dat besluit in stand blijven;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Limburg aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Limburg aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen     w.g. Jansen

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008

459.