Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1018

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
02-01-2008
Zaaknummer
200703637/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor het verwezenlijken van een windturbinepark in de Koegorspolder te Terneuzen/Sluiskil-Oost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703637/1.

Datum uitspraak: 2 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/845 van de rechtbank Middelburg van 11 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor het verwezenlijken van een windturbinepark in de Koegorspolder te Terneuzen/Sluiskil-Oost.

Bij besluit van 12 mei 2005 heeft het college aan [partij] bouwvergunning verleend voor het oprichten van 22 windturbines en een schakelstadion van 20/50 KV op gronden, gelegen in de Koegorspolder te Sluiskil.

Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2006 heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 20 oktober 2005 vernietigd.

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 11 april 2007 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 23 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Vergunninghoudster, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, heeft bij brief van 20 juli 2007 een reactie ingediend.

Bij brief van 31 augustus 2007 heeft [appellant] een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2007, waar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A.A.A. Suij en mr. C.R.E. Sijnesael, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J.J. Klaassens, bijgestaan door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte geen gelegenheid heeft gegeven voor inspraak op een Aanvulling van 20 januari 2004 op het milieueffectrapport "Bedrijventerrein Koegorspolder" van 1 november 2002 (hierna: het MER). Dit is zijns inziens in strijd met de procedure die is omschreven in het "Richtsnoer aanvullingen op een milieu-effectrapport" van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 januari 1995 (hierna: het Richtsnoer).

2.1.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat, hoewel de procedure als omschreven in het buitenwettelijke Richtsnoer weliswaar niet geheel is gevolgd, [appellant] daardoor niet in zijn belangen is geschaad, nu de Aanvulling in bezwaar en in beroep wel ter inzage heeft gelegen en [appellant] aldus voldoende gelegenheid is geboden hierop te reageren. Voorts wijst het college erop dat de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie m.e.r.) tot een positief toetsingsadvies heeft kunnen komen.

2.1.2.    Vaststaat dat het MER, dat mede de aanleg van het windturbinepark omvat, naar aanleiding van opmerkingen van de Commissie m.e.r. is aangevuld met een rapport van Witteveen & Bos van 20 januari 2004. Hoewel [appellant] op zich terecht stelt dat van de Aanvulling niet afzonderlijk openbaar kennis is gegeven en daarover niet afzonderlijk in het kader van de m.e.r.-beoordelingsprocedure inspraak is geboden, leidt dit niet tot het oordeel dat de rechtbank de bij haar bestreden besluiten daarom niet in stand heeft kunnen laten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de Commissie m.e.r ten aanzien van het MER en de bijbehorende Aanvulling heeft geadviseerd dat het MER voldoende inzicht bood ten aanzien van de te verwachten gevolgen voor het milieu en dat dit advies, dat met het MER en de Aanvulling in bezwaar en beroep ter inzage heeft gelegen, door [appellant] niet op inhoudelijke gronden is bestreden. Voorts is ter zitting door het college onweersproken gesteld dat de locatie van de dichtst bij de woning van [appellant] gelegen windmolen in het in de Aanvulling onderzochte alternatief niet is gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke MER, waarover wel inspraak was geboden.

   Het betoog van [appellant] faalt.

2.2.    [appellant] klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over zijn betoog dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de door hem geuite vrees voor geluidhinder.

2.2.1.    Deze klacht faalt eveneens. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 januari 2006, in zaak nr. 200501778/1 (www.raadvanstate.nl), met betrekking tot de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van het windturbinepark en in welke procedure [appellant] partij was, heeft de rechtbank dit betoog terecht verworpen.

2.3.    De stelling van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven over zijn betoog dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de door hem geuite vrees voor visuele hinder, faalt ten slotte ook. Hoewel [appellant] geen partij was in de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2007, in zaak nr. 200603730/1 (www.raadvanstate.nl), heeft de rechtbank voormeld betoog van [appellant] kunnen verwerpen onder verwijzing naar voormelde uitspraak, nu in die uitspraak dezelfde besluiten onderwerp van geschil waren als in de aangevallen uitspraak en [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot een ander oordeel met betrekking tot het aspect visuele hinder dan het in die uitspraak op dit punt gegeven oordeel.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen     w.g. Lodder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008

17-531.