Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BC1016

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
02-01-2008
Zaaknummer
200702786/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog (hierna: het college) aan [partij] vrijstelling verleend voor onder meer het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702786/1.

Datum uitspraak: 2 januari 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/2136 van de rechtbank Leeuwarden van 9 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog (hierna: het college) aan [partij] vrijstelling verleend voor onder meer het vergroten van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het college aan [partij] voor het bouwplan bouwvergunning eerste fase verleend.

Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het college de door appellant tegen de besluiten van 25 november 2003 en 3 februari 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft het college aan [partij] voor het bouwplan bouwvergunning tweede fase verleend.

Bij besluit van 25 januari 2004 (de Afdeling leest: 2005) heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) de tegen de besluiten van 31 augustus 2004 en 25 januari 2005 ingestelde beroepen gegrond verklaard en beide besluiten vernietigd.

Bij besluit van 26 juli 2006 heeft het college, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op de bezwaren tegen de besluiten van 25 november 2003, 3 februari 2004 en 12 oktober 2004 beslist en die bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 18 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

[partij] is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen en heeft bij brief van 27 april 2007 een reactie ingediend.

Bij brief van 2 juli 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2007, waar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door T. de Vries, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een opbouw in de vorm van een verlenging van de kap van de woning op een tegen de zijgevel van de woning aangebouwde garage. De opbouw is uitsluitend vanuit de woning toegankelijk en staat ten dienste van de woonfunctie van het hoofdgebouw.

2.2.    Allereerst betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college, alvorens opnieuw te beslissen op zijn bezwaren, hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord over het namens het college door Buro Vijn verrichte onderzoek naar de gevolgen van het bouwplan voor de schaduwwerking en lichtinval op zijn perceel [locatie 2].

2.2.1.    Dit betoog slaagt niet. Uit de stukken blijkt dat appellant in de gelegenheid is gesteld schriftelijk te reageren op het rapport van Buro Vijn en dit ook heeft gedaan bij brief van 20 juni 2006. Door het college is die brief aan Buro Vijn voorgelegd. Buro Vijn heeft naar aanleiding van die brief een nadere reactie gegeven. Appellant heeft daar toen niets tegenover gesteld. De rechtbank heeft onder die omstandigheden terecht geoordeeld dat appellant niet nader hoefde te worden gehoord naar aanleiding van het onderzoek van Buro Vijn.

2.3.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voorafgaand aan het besluit van 26 juli 2006 geen nieuw onderzoek hoefde te verrichten naar alle aspecten waaromtrent beroepsgronden tegen de besluiten van 31 augustus 2004 en 25 januari 2005 waren ingediend.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Uit de uitspraak van de rechtbank van 11 januari 2006 blijkt dat de rechtbank niet is toegekomen aan de andere beroepsgronden van appellant dan de grond inzake de gevolgen van het bouwplan voor de schaduwwerking en zoninval op zijn perceel. Met de rechtbank in de aangevallen uitspraak is de Afdeling van oordeel dat het college ter motivering van zijn standpunt ter zake van de overige argumenten heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de inhoud van de besluiten van 31 augustus 2004 en 25 januari 2005. Aan het besluit van 26 juli 2006 ligt in zoverre dan ook, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, een volledige heroverweging ten grondslag.    

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte het door Buro Vijn verrichte onderzoek naar de gevolgen van het bouwplan voor de schaduwwerking en lichtinval op zijn perceel deugdelijk heeft geacht.

2.4.1.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat bij het door Buro Vijn verrichte onderzoek is uitgegaan van een technische standaard. Naar aanleiding van de brief van appellant van 20 juni 2006 heeft Buro Vijn een reactie gegeven waarin het standpunt van appellant gemotiveerd is weersproken. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn in beroep en hoger beroep naar voren gebrachte standpunt geen deskundigenrapport overgelegd. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht dan wel dat van onjuiste gegevens is uitgegaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet op de resultaten van het door Buro Vijn verrichte onderzoek mocht afgaan.

   Het betoog faalt.

2.5.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat door [partij] onvoldoende gegevens zijn ingediend om het bouwplan aan het Bouwbesluit en de Bouwverordening te toetsen. Voorts voldoet het bouwplan niet aan de voorschriften van het Bouwbesluit en de Bouwverordening, aldus appellant.

2.5.1.    Ingevolge artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit) kunnen burgemeester en wethouders bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk, tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven.

2.5.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college over voldoende gegevens beschikte om het bouwplan te toetsen aan de voorschriften van het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Van strijd met artikel 4, eerste lid, van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning is dan ook geen sprake. Tevens kan in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Het bouwplan ziet op het vergroten van een bestaande ruimte en voldoet aan de voorschriften voor een bestaand bouwwerk, waaronder begrepen de hoogte van een verblijfsruimte als bedoeld in artikel 4.33, derde lid, van het Bouwbesluit. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1.11, eerste lid, van het Bouwbesluit is daarmee voldaan. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot dit oordeel gekomen.    

2.6.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college, na een afweging van alle betrokken belangen, niet in redelijkheid vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang bezien met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, 1º, van het Besluit op de ruimtelijke ordening heeft kunnen verlenen voor het bouwplan.

2.6.1.    Het college heeft, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, in redelijkheid vrijstelling kunnen verlenen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gevolgen van het bouwplan voor de schaduwwerking en lichtinval op het perceel van appellant niet zodanig zijn dat het college het belang van [partij] bij realisering van het bouwplan niet zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van appellant bij een weigering vrijstelling te verlenen.

   Het betoog faalt.

2.7.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bestaan van alternatieven voor het vergroten van de woning had moeten leiden tot weigering van de vrijstelling.  

2.7.1.    Dit betoog slaagt niet. Het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

   Bij het opstellen van het bouwplan zijn overwegingen van architectonische en bouwkundige aard van doorslaggevend belang geweest. Dit volgt onder meer uit de brief van architect F. Akkermans van 20 oktober 2004. Door [partij] is gemotiveerd aangegeven dat de door appellant genoemde alternatieven niet kunnen leiden tot een gelijkwaardig resultaat. Naar het oordeel van de Afdeling is dan ook geen sprake van alternatieven waarbij op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat het college voor realisering van het bouwplan vrijstelling van het bestemmingsplan heeft moeten verlenen doet aan het voorgaande niet af, nu artikel 19, derde lid, van de WRO juist bedoeld is om in bepaalde gevallen afwijking van het bestemmingsplan mogelijk te maken.

   De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.7.2.    Ten slotte mist het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen overwegingen heeft gewijd aan zijn beroepsgrond dat hij bij de behandeling van het bezwaar gericht tegen de bouwvergunning tweede fase niet deugdelijk is gehoord feitelijke grondslag, nu de rechtbank op bladzijde 5 van de aangevallen uitspraak expliciet op die grond is ingegaan.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk     w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008

218-552.