Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BD9601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-07-2007
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
200801463/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kopjesjurisprudentie / afwijzing asiel omvat tevens ambtshalve weigering verblijfsvergunning regulier / kopje “motivering beslissing”

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juli 2008 in zaak nr. 200800950/1, www.raadvanstate.nl) kan onder omstandigheden worden aangenomen dat de afwijzing van een asielaanvraag tevens een weigering om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen omvat, ook indien dit niet uitdrukkelijk uit de rubrieken 1 en 2 onder het kopje 'Onderwerp van de beschikking' onderscheidenlijk 'Besluit' dan wel uit rubriek 5 onder het kopje 'Rechtsgevolgen van de beschikking' blijkt.

In het onderhavige geval heeft de staatssecretaris in het besluit van 30 januari 2008 in rubriek 4 onder het kopje 'Motivering van de beslissing' uitdrukkelijk beoordeeld of de vreemdeling voldoet aan de voor verlening van een buitenschuld-vergunning gestelde vereisten en daaraan vervolgens ook nog de eenduidige conclusie verbonden dat hij aan die vereisten niet voldoet. Dit besluit kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat de staatssecretaris daarbij tevens heeft geweigerd aan de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier, als bedoeld in artikel 3.6 van het Vb 2000, te verlenen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/338 met annotatie van Noot BKO

Uitspraak

200801463/1.

Datum uitspraak: 30 juli 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 08/3576 en 08/3580 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 21 februari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 februari 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen de vreemdeling in het hoger-beroepschrift in de eerste tot en met de vijfde en de zevende grief heeft aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.2. In de zesde grief klaagt de vreemdeling - samengevat weergegeven - dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (hierna ook: buitenschuld-vergunning). Naar aanleiding hiervan wordt ambtshalve als volgt overwogen.

2.2.1. In zijn zienswijze op het voornemen tot afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft de vreemdeling onder meer een beroep gedaan op het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. De staatssecretaris heeft in reactie daarop in het besluit van 30 januari 2008 in rubriek 4 onder het kopje 'Motivering van de beslissing' ambtshalve overwogen dat de vreemdeling niet voldoet aan de in voormeld beleid opgenomen voorwaarden voor verlening van een buitenschuld-vergunning. Hiertoe heeft hij overwogen dat de vreemdeling in de zienswijze niet nader heeft onderbouwd dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, zodat geen sprake is van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden, in de zin van objectieve, verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de vreemdeling, op grond waarvan kan worden vastgesteld dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten. Gelet hierop komt de vreemdeling niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, gelezen in verband met artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), aldus de staatssecretaris.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juli 2008 in zaak nr. 200800950/1, www.raadvanstate.nl) kan onder omstandigheden worden aangenomen dat de afwijzing van een asielaanvraag tevens een weigering om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen omvat, ook indien dit niet uitdrukkelijk uit de rubrieken 1 en 2 onder het kopje 'Onderwerp van de beschikking' onderscheidenlijk 'Besluit' dan wel uit rubriek 5 onder het kopje 'Rechtsgevolgen van de beschikking' blijkt.

2.2.3. In het onderhavige geval heeft de staatssecretaris in het besluit van 30 januari 2008 in rubriek 4 onder het kopje 'Motivering van de beslissing' uitdrukkelijk beoordeeld of de vreemdeling voldoet aan de voor verlening van een buitenschuld-vergunning gestelde vereisten en daaraan vervolgens ook nog de eenduidige conclusie verbonden dat hij aan die vereisten niet voldoet. Dit besluit kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat de staatssecretaris daarbij tevens heeft geweigerd aan de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier, als bedoeld in artikel 3.6 van het Vb 2000, te verlenen.

2.2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 21 december 2005 in zaak nr. 200508250/1, JV 2006/54) is artikel 79, derde lid, van de Vw 2000 niet van toepassing, indien, zoals in het onderhavige geval, het voornemen om de aanvraag af te wijzen niet tevens een voornemen tot weigering om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, behelst. Het besluit van 30 januari 2008 is in zoverre dan ook een primair besluit, waartegen ingevolge het eerste lid van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in hun onderlinge samenhang gelezen, bezwaar diende te worden gemaakt, alvorens beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld. Dit is niet gebeurd. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend en heeft het tegen de weigering ambtshalve een buitenschuld vergunning te verlenen ingestelde beroep dan ook ten onrechte niet niet ontvankelijk verklaard.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het tegen voormelde weigering ingestelde beroep ongegrond is verklaard en voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen het besluit van 30 januari 2008, voor zover dat is gericht tegen de weigering ambtshalve een buitenschuld-vergunning te verlenen, alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard. Het beroepschrift zal in zoverre met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb aan de staatssecretaris worden doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 21 februari 2008 in zaak nr. 08/3576, voor zover daarbij het beroep tegen de weigering om aan de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, onder de beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep in zoverre niet ontvankelijk;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Zwinkels

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2008

309-473.

Verzonden: 30 juli 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak