Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC1417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
200708369/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de Wet milieubeheer-vergunning voor haar varkenshouderij op het adres [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708369/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de Wet milieubeheer-vergunning voor haar varkenshouderij op het adres [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief van 27 november 2007 heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft dit verzoek is op 30 november 2007 doorgestuurd naar de Raad van State.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2007, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J van Groningen, advocaat te Middelharnis, en L.F.M. Koops, en het college, vertegenwoordigd door C.A.M. Evers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft aan het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat de voorschriften 12.1.1, 12.1.2, 12.1.3 en 12.2.4 van de milieuvergunning van 24 oktober 2006 worden overtreden. Op grond van deze voorschriften moeten de stallen 4, 5 en 6 elk zijn voorzien van een chemische luchtwasser die bij in gebruik name van de stallen in werking is. Het college stelt dat [verzoekster] varkens houdt in de stallen 4, 5 en 6, zonder dat deze zijn uitgerust met een chemische luchtwasser. De last houdt in dat [verzoekster] vóór 20 december 2007 de varkens uit de stallen 4, 5 en 6 afvoert of de chemische luchtwassystemen, conform de voorschriften, in de desbetreffende stallen plaatst en werking brengt. De dwangsom is vastgesteld op € 2.250 per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum te verbeuren bedrag van € 90.000.

2.1.1. [verzoekster] betwist de overtreding niet maar voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn die aan handhavend optreden in de weg staan. Er bestaat volgens [verzoekster] concreet uitzicht op legalisatie, omdat een nieuwe aanvraag om een revisievergunning voor de inrichting is ingediend en het college een ontwerpbesluit tot het verlenen van de aangevraagde vergunning heeft genomen. Verder is volgens [verzoekster] de last onevenredig, omdat direct na het plaatsen en in werking brengen van de chemische luchtwassystemen overeenkomstig de voorschriften van de vergunning van 24 oktober 2006, de systemen moeten worden aangepast aan de nieuwe, te verlenen revisievergunning. Tevens is de begunstigingstermijn te kort, de dwangsom te hoog en de tijdseenheid per dag onaanvaardbaar, aldus [verzoekster].

2.1.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.1.3. De vergunning van 24 oktober 2006 strekt tot een aanzienlijke uitbreiding van het aantal te houden varkens in de inrichting. Vast staat dat [verzoekster] de varkens is gaan houden zonder dat de voorgeschreven chemische luchtwassers zijn geplaatst. Verweerder stelt, hetgeen niet is weersproken, dat hierdoor een aanzienlijke hoeveelheid ammoniak wordt geëmitteerd en de omgeving stankhinder ondervindt.

Anders dan [verzoekster] stelt is er in dit geval geen concreet zicht op legalisatie. Allereerst betekent in dit geval, zoals verweerder terecht heeft gesteld, het enkele feit dat het ontwerpbesluit strekt tot vergunningverlening, mede gegeven de bezwaren die door omwonenden tegen de stankhinder van de bestaande inrichting zijn geuit, geenszins dat ook dienovereenkomstig een vergunning van kracht zal worden. Bovendien komt de situatie waarop de last onder dwangsom ziet - het traditioneel gehuisvest zijn van varkens in de stallen 4, 5 en 6 - niet overeen met de nieuwe, te vergunnen situatie, namelijk het huisvesten van varkens in de stallen 4, 5 en 6 die zijn voorzien van een chemisch luchtwassysteem. Het beroep van [verzoekster] op de uitspraak van 4 juli 2007, zaak nr. 200609277/1 (www.raadvanstate.nl) slaagt niet, reeds omdat in dat geval de te verlenen vergunning juist wél betrekking had op dezelfde activiteiten als waarop het handhavingsbesluit betrekking had.

Van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhaving is niet gebleken. Daarbij merkt de voorzitter op dat als uitgangspunt geldt dat een inrichting eerst in werking wordt gebracht indien de in de aanvraag en vergunning voorgeschreven voorzieningen zijn aangebracht.

2.1.4. Verder moet de begunstigingstermijn, die ruim een maand bedraagt, ruim genoeg worden geacht om de dieren te verwijderen.

In hetgeen [verzoekster] ten slotte over de hoogte van de dwangsom en de tijdseenheid heeft aangevoerd ziet de voorzitter, gelet ook op de aard van de overtreding, evenmin aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.2. Het verzoek wordt afgewezen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

190-541.