Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC1411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
200708224/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer ten aanzien van de inrichting op het adres [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708224/2.

Datum uitspraak: 20 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beuningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer ten aanzien van de inrichting op het adres [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 25 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft het college het door [verzoekster] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en aan de last toegevoegd dat in de inrichting niet meer dan 5 runderen en 15 varkens per week mogen worden geslacht.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief van 26 november 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief van 26 november 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2007, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis en [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door H.A. Janssen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het college heeft aan het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat in de inrichting meer dan 5 runderen en 15 varkens per week worden geslacht. Dit houdt volgens het college een overtreding in van de voor de inrichting geldende milieuvergunningen.

2.3. [verzoekster] betoogt - kort samengevat - dat in de geldende vergunningen, gelet ook op de context van de daaraan ten grondslag liggende aanvragen, het aantal te slachten dieren noch expliciet noch impliciet is beperkt. Die vergunningen worden aldus niet overtreden door het slachten van meer dan 5 runderen en 15 varkens per week, zodat er geen grondslag is voor het opleggen van een last onder dwangsom.

2.3.1. Bij besluit van 26 februari 1991 is voor de inrichting een oprichtingsvergunning als bedoeld in de Hinderwet verleend, welke vergunning inmiddels geldt als een vergunning verleend krachtens de Wet milieubeheer. In de aanvraag, die deel uitmaakt van de oprichtingsvergunning, is bepaald dat de maximale omvang van de inrichting 5 runderen met 5 staanplaatsen en 15 varkens met 15 ligplaatsen bedraagt. Verder is in de aanvraag vermeld dat per week gemiddeld 5 runderen en 15 varkens worden geslacht. Het betoog van [verzoekster] dat de vergunningaanvraag destijds ten doel had te geraken tot een uitbreiding van de in de aanvraag genoemde aantallen tot het naar verzoeker stelt destijds hogere aantal slachtingen dat wekelijks in feite zou plaatsvinden, volgt de voorzitter niet, nu voor dat standpunt in de oprichtingsvergunning en in de aanvraag elk concreet aanknopingspunt ontbreekt. Omdat het een aanvraag om een oprichtingsvergunning betreft moet - ook indien deze een feitelijk reeds bestaande inrichting betreft - er van worden uitgegaan dat vergunning wordt gevraagd voor de inrichting zoals deze wordt omschreven in de aanvraag. De voorzitter gaat er daarom van uit dat bij besluit van 26 februari 1991 uitsluitend vergunning is verleend voor het slachten van maximaal 5 runderen en 15 varkens per week.

2.3.2. Bij besluit van 23 augustus 2001 is een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer verleend. Blijkens de daarbij behorende vergunningaanvraag gaat het om een uitbreiding en capaciteitsvergroting van de inrichting. In de aanvraag is onder het kopje 'procesomschrijving' onder meer vermeld: "slachten, uitbenen en verwerken van koeien, varkens, schapen en geiten." De omvang van het vergunde aantal slachtingen en slachtdagen per week is echter niet nader gepreciseerd. Gelet op vorenstaande valt niet zonder meer in te zien dat het slachten van meer dan 5 runderen en 15 varkens per week, waaronder ook begrepen zou zijn een verbod tot het slachten van schapen en geiten, een overtreding oplevert van de voor de inrichting geldende vergunning.

In verband hiermee en gelet op de belangen van [verzoekster] bij voortzetting van de bij besluit van 23 augustus 2001 vergunde activiteiten in afwachting van de behandeling van het beroep, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beuningen van 25 oktober 2007, kenmerk UIO7.05268, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beuningen van 19 april 2007, kenmerk UIO7.00876;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beuningen tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,73 (zegge: zeshonderdzesenzestig euro en drieënzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Beuningen aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Beuningen aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2007

190-541.