Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC1405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
200707927/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vulcaanhaven B.V. (hierna: Vulcaanhaven) gelast het zonder vergunning bewerken van minerale massagoederen te beëindigen, op straffe van een dwangsom van € 60.000 per keer dat een overtreding wordt vastgesteld, met een maximum van € 300.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707927/2.

Datum uitspraak: 17 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vulcaanhaven B.V., gevestigd te Vlaardingen,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vulcaanhaven B.V. (hierna: Vulcaanhaven) gelast het zonder vergunning bewerken van minerale massagoederen te beëindigen, op straffe van een dwangsom van € 60.000 per keer dat een overtreding wordt vastgesteld, met een maximum van € 300.000.

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft het college een door Vulcaanhaven op 2 november 2006 ingediende aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 2 oktober 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder de door Vulcaanhaven tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Vulcaanhaven bij brief van 12 november 2007, bij de Raad van State ingekomen op 13 november, beroep ingesteld. Bij brief van 13 november 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft Vulcaanhaven de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2007, waar Vulcaanhaven, vertegenwoordigd door mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, en vergezeld door haar [directeur], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.C.M van Neerven, drs. A.E. Bracké, ing H.W. Holtering en F. Jongsma, ambtenaren bij de provincie Zuid-Holland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Vulcaanhaven verzoekt de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening het besluit op bezwaar te schorsen totdat de Afdeling een uitspraak op haar beroep heeft gedaan.

2.3. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de opgelegde last onder dwangsom overweegt de voorzitter dat vaststaat dat het maximumbedrag van de opgelegde dwangsom inmiddels is verbeurd. Gelet daarop ziet de voorzitter in zoverre geen spoedeisend belang dat het treffen van de gevraagde voorziening rechtvaardigt. Voor zover Vulcaanhaven met haar verzoek zou beogen te bereiken dat niet tot invordering van de dwangsom wordt overgegaan overweegt de voorzitter dat uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van een geschil betreffende de invordering van een dwangsom.

2.4. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het buiten behandeling laten van de aanvraag voor een vergunning van 2 november 2006 overweegt de voorzitter dat ter zitting is gebleken dat Vulcaanhaven inmiddels een nieuwe aanvraag voor een zelfde vergunning heeft ingediend die als ontvankelijke aanvraag in behandeling is genomen door het college. Gelet daarop ziet de voorzitter ook in zoverre geen spoedeisend belang dat het treffen van de gevraagde voorziening rechtvaardigt.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2007

159-539.