Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC1393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
200706941/1 en 200706941/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft de gemeenteraad van Staphorst, het bestemmingsplan "Oude Rijksweg-Gemeenteweg, partiële herziening Evert Reddersland, artikel 30 herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706941/1 en 200706941/2.

Datum uitspraak: 20 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2007 heeft de gemeenteraad van Staphorst, het bestemmingsplan "Oude Rijksweg-Gemeenteweg, partiële herziening Evert Reddersland, artikel 30 herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 28 september 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2007, beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 29 november 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2007, waar appellanten, waarvan [gemachtigden] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Staphorst, vertegenwoordigd door J.C. van Rooijen, ambtenaar van de gemeente. [eigenaa]r van de percelen waarop het bestemmingsplan ziet, is met bericht niet verschenen.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder het bestemmingsplan ten onrechte heeft goedgekeurd. Daartoe stellen zij dat de gemeenteraad ten onrechte hun zienswijze niet heeft beantwoord. Voorts is, volgens appellanten, niet voldaan aan de uitspraak van de Voorzitter van 3 november 2006, in zaak no. 200605612/1 (www.raadvanstate.nl), waarbij goedkeuring is onthouden aan een eerdere bestemmingsplanregeling voor de voorziene woningen, nu aansluiting is gezocht bij de hoogtematen uit aangrenzende bestemmingsplannen. Zij stellen tevens dat de voorziene bebouwing leidt tot een aantasting van hun woongenot door verlies aan privacy, lichtinval en uitzicht. In het bestreden besluit is, gelet op voornoemde uitspraak, ten onrechte verwezen naar het welstandsbeleid, aldus appellanten.

2.3. Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Daartoe stelt hij zich op het standpunt dat het plan voorziet in de bouw van drie woningen op een inbreidingslocatie in het centrum van Staphorst. Het plangebied grenst aan de west- en zuidzijde aan het plangebied van het bestemmingsplan "Staphorst-Dorp", waarin nagenoeg alle woningen van appellanten gelegen zijn. Verweerder acht het redelijk dat voor de maximale bouwhoogten in het plangebied aansluiting is gezocht bij de maximale bouwhoogten uit het bestemmingsplan "Staphorst-Dorp". Hij stelt zich ten aanzien van de maatvoering voor de bijgebouwen, waarbij ook aansluiting is gezocht bij laatstgenoemd bestemmingsplan, op hetzelfde standpunt. Verweerder stelt voorts dat de belangen van appellanten niet onevenredig worden aangetast. Hij acht daarbij van belang de afstand van de bouwblokken voor de hoofdgebouwen tot de omliggende woningen, de beperkte goothoogte daarvan en de omstandigheid dat de bouwmogelijkheden voor de bijgebouwen aansluiten op de mogelijkheden die gelden op de percelen van appellanten. Verweerder merkt ten slotte op dat de stelling van de wethouder juist is dat de bouwplannen niet alleen getoetst zullen worden aan het bestemmingsplan, maar ook aan het welstandbeleid van de gemeente, waarbij ook gekeken zal worden naar de karakteristieken van de omgeving.

2.4. Ten aanzien van de beroepsgrond van appellanten dat de gemeenteraad hun zienswijze ten onrechte niet heeft beantwoord, stelt de Voorzitter vast dat in het besluit van 27 maart 2007 wordt verwezen naar het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 maart 2007 en de daarbij behorende antwoordnota. Niet is gebleken dat de zienswijze van appellanten daarin niet dan wel onvoldoende is behandeld.

2.5. Ten aanzien van de beroepsgronden van appellanten betreffende de maatvoering van de voorziene woningen, overweegt de Voorzitter het volgende.

In voornoemde uitspraak van de Voorzitter van 3 november 2006 is, samengevat weergegeven, overwogen dat de uit het bestemmingsplan voortvloeiende nokhoogte van 13 meter voor de nieuwbouw op de inbreidingslocatie, in strijd met een goede ruimtelijke orde moet worden geacht. Anders dan appellanten stellen volgt uit deze uitspraak niet dat voor de maatvoering van de voorziene woningen geen aansluiting mag worden gezocht bij de maatvoeringen die in aangrenzende plangebieden gelden. Omdat het plangebied aan west- en zuidzijde direct grenst aan het plangebied van het bestemmingsplan "Staphorst-Dorp" bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de aansluiting bij de maatvoeringen uit dat bestemmingsplan niet redelijk heeft mogen achten.

Voorts is niet gebleken dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gelet op de stedelijke omgeving, een maximaal toegestane nok- en goothoogte van 10 onderscheidenlijk 3,5 meter voor de voorziene woningen, een maximaal toegestane nok- en goothoogte van 6,6 onderscheidenlijk 3,3 meter en een afstand van ten minste 8 meter tot de voorziene woonbebouwing, geen onaanvaardbare inbreuk is op het uitzicht, de lichtinval en de privacy van appellanten. Daarbij heeft verweerder belang mogen toekennen aan de omstandigheid dat de in het plan toegestane maximale nok- en goothoogten voor de voorziene woningen en bijgebouwen overeenkomen met de maatvoeringen zoals deze gelden voor de woningen en bijgebouwen van appellanten in het aangrenzende plangebied "Staphorst-Dorp". Dat de woningen van appellanten feitelijk lager zijn dan de in het voor hen geldende bestemmingsplan maximaal toegestane nokhoogte van 10 meter, doet niet af aan de mogelijkheden die zij hebben op grond van dat bestemmingsplan.

2.6. Voor zover appellanten stellen dat verweerder ten onrechte heeft verwezen naar het welstandsbeleid, kan dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Daartoe acht de Voorzitter van belang dat in het besluit de maximale bebouwingsmogelijkheden in het plan zijn getoetst. Voorts blijkt uit dat besluit niet dat verweerder zich met deze verwijzing op het standpunt heeft gesteld dat die maximale bebouwingsmogelijkheden aan de hand van het welstandsbeleid zouden kunnen worden beperkt, zoals het geval was in de uitspraak van de Voorzitter van 3 november 2006. De Voorzitter begrijpt bedoelde verwijzing aldus dat verweerder heeft willen benadrukken dat door toetsing aan bedoeld beleid kan worden gewaarborgd dat de voorziene woningen wat betreft de uiterlijke kenmerken aan zullen sluiten bij de bestaande omgeving.

2.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.8. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Vogel-Carprieaux

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2007

458.