Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC1070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
03-01-2008
Zaaknummer
200707737/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / tijdsverloop na eerdere inbewaringstelling / beoordeling zicht op uitzetting

Zoals onder meer blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 24 oktober 2006 in zaak nr. 200606370/1 (JV 2006/449) en van 27 november 2007 in zaak nr. 200706701/1 [..] bestaat er geen aanleiding om de redenen voor opheffing van de eerdere bewaring bij de beoordeling van het zicht op uitzetting te betrekken, indien sinds het tijdstip van de opheffing van die eerdere bewaring een zodanig lange periode is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de feiten of omstandigheden die eerder grond vormden voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbrak, ten tijde van het opnieuw opleggen van de maatregel van bewaring hun betekenis hebben verloren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707737/1.

Datum uitspraak: 11 december 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/39869 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 30 oktober 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank, door te overwegen dat hij in beginsel eenmaal per veertien dagen uitzettingshandelingen dient te verrichten en, nu daarvan sinds de oplegging van de bewaring niet is gebleken, met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt, heeft miskend dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2007 in zaak nr. 200703728/1 (JV 2007/417), sprake is van bijzondere, niet aan hem toe te rekenen omstandigheden, die een langere termijn rechtvaardigen om aan te vangen met het verrichten van handelingen ter fine van uitzetting. Daartoe betoogt hij, onder meer, dat uit de met de vreemdeling op 21 augustus 2007, op 21 september 2007 en op 9 oktober 2007 gevoerde vertrekgesprekken niet is gebleken dat hij zijn medewerking verleent aan de vaststelling van zijn identiteit.

2.1.1. Niet in geschil is dat de staatssecretaris op de dag van de zitting van de rechtbank, vijftien dagen na de inbewaringstelling van de vreemdeling, nog geen uitzettingshandelingen heeft verricht.

In het hoger beroepschrift heeft de staatssecretaris uiteengezet dat tijdens de strafrechtelijke detentie van de vreemdeling, voorafgaand aan de thans ter toets staande inbewaringstelling, drie vertrekgesprekken met hem zijn gevoerd om zijn identiteit vast te stellen en om nieuwe gegevens te verkrijgen. De staatssecretaris heeft onweersproken gesteld dat de vreemdeling hieraan geen medewerking heeft verleend. Gelet op deze omstandigheden, is er in dit geval geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarendheid heeft betracht met de uitzetting van de vreemdeling. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 15 oktober 2007 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. De vreemdeling heeft betoogd dat zicht op uitzetting ontbreekt, omdat de vorige inbewaringstelling is opgeheven en dat ten tijde van het opleggen van de huidige maatregel geen aanknopingspunten aanwezig zijn die leiden tot het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn thans niet ontbreekt. Uit de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2005 in zaak nr. 05/33524 blijkt dat een eerdere aanvraag om ten behoeve van hem een laissez passer te verlenen is geweigerd. Niet kan worden ingezien dat thans wel een dergelijk reisdocument zal worden afgegeven, aldus de vreemdeling.

2.3.1. Uit voormelde uitspraak en uit het verhandelde ter zitting van de rechtbank blijkt dat de staatssecretaris de vorige inbewaringstelling van de vreemdeling, die was opgelegd bij besluit van 8 april 2005, op 5 augustus 2005 heeft opgeheven vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting.

2.3.2. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 24 oktober 2006 in zaak nr. 200606370/1 (JV 2006/449) en van 27 november 2007 in zaak nr. 200706701/1 (aangehecht ter voorlichting van partijen), bestaat er geen aanleiding om de redenen voor opheffing van de eerdere bewaring bij de beoordeling van het zicht op uitzetting te betrekken, indien sinds het tijdstip van de opheffing van die eerdere bewaring een zodanig lange periode is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de feiten of omstandigheden die eerder grond vormden voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbrak, ten tijde van het opnieuw opleggen van de maatregel van bewaring hun betekenis hebben verloren.

2.3.3. Gelet op het tijdsverloop van twee jaar en twee maanden tussen de opheffing van de eerdere vreemdelingenbewaring en de oplegging van de thans ter toetsing voorliggende maatregel, is sprake van een lange periode als hiervoor bedoeld. Nu evenmin bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, naar voren zijn gebracht, behoeft de reden voor de opheffing van de eerdere bewaring niet bij het oordeel over zicht op uitzetting te worden betrokken.

2.4. Uit de eerder genoemde uitspraak van 23 augustus 2005 blijkt dat de vreemdeling op 31 mei 2005 onder de naam '[de vreemdeling]' bij de Algerijnse autoriteiten is gepresenteerd en dat zij op 24 juni 2005 te kennen hebben gegeven geen laissez passer ten behoeve van de vreemdeling te zullen afgeven, aangezien reeds eerder een dergelijke aanvraag was geweigerd.

Op de vreemdeling rust de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze verplichting brengt onder meer met zich dat hij actieve en volledige medewerking aan het verkrijgen van de voor zijn vertrek noodzakelijke documenten dient te verlenen. Nu de vreemdeling, waarvan niet in geschil is dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit, bij de inbewaringstelling op 15 oktober 2007 dezelfde identiteitsgegevens heeft verstrekt als bij de vorige inbewaringstelling en die gegevens niet tot afgifte van een laissez passer hebben geleid, kan worden geconcludeerd dat hij niet de van hem te eisen medewerking aan zijn uitzetting verleent. Er is geen grond om aan te nemen dat de Algerijnse autoriteiten niet bereid zijn een laissez passer te verstrekken, indien de vreemdeling juiste en volledige gegevens omtrent zijn identiteit verstrekt.

Bij gebreke van vorenbedoelde medewerking bestaat geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt.

2.5. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, onverbrekelijk samenhangt met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze grond valt thans dientengevolge buiten het geding.

2.6. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 oktober 2007 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 30 oktober 2007 in zaak nr. 07/39869;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007

53-513.

Verzonden: 11 december 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak