Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
200704813/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2007 (hierna: het besluit) heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/75 met annotatie van Ymre Schuurmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704813/1.

Datum uitspraak: 7 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/6017 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 13 juni 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2007 (hierna: het besluit) heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 13 juni 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 juli 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

In artikel 15, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening) is, voor zover thans van belang, bepaald dat lidstaten, wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de hulp van de andere wegens een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, er normaliter voor zorgen dat de asielzoeker kan blijven bij of wordt herenigd met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden.

In artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van de Dublinverordening (hierna: de Uitvoeringsverordening) zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent situaties van afhankelijkheid.

In artikel 11, eerste lid, is bepaald dat artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening van toepassing is zowel wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt als wanneer het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, worden de in artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening beoogde situaties van afhankelijkheid zo veel mogelijk beoordeeld op grond van objectieve elementen, zoals medische attesten. Wanneer dergelijke elementen niet voorhanden zijn of niet kunnen worden overgelegd, kunnen de humanitaire redenen alleen worden geacht te zijn bewezen op grond van door de betrokken personen verstrekte overtuigende inlichtingen.

Ingevolge artikel 11, derde lid, wordt bij de beoordeling of hereniging van de betrokken personen nodig en wenselijk is, rekening gehouden met:

a) de familiesituatie die bestond in het land van herkomst;

b) de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de betrokken personen van elkaar werden gescheiden;

c) de stand van de verschillende in de lidstaten lopende asielprocedures of procedures inzake het vreemdelingenrecht.

In artikel 11, vierde lid, is bepaald dat voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening in ieder geval vereist is dat de asielzoeker of het familielid daadwerkelijk de nodige hulp zal verlenen.

2.2. In grief 1 klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door te overwegen dat hij zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en haar moeder en dat het besluit daarom in strijd is met het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening, gelezen in verband met artikel 11, eerste en vierde lid, van de Uitvoeringsverordening, heeft miskend dat de vreemdeling het bestaan van een situatie van afhankelijkheid als bedoeld in voormeld artikel 15, tweede lid, niet op grond van objectieve elementen, zoals medische attesten, dan wel op grond van overtuigende inlichtingen aannemelijk heeft gemaakt.

2.2.1. Ter onderbouwing van haar standpunt dat haar moeder vanwege ziekte van haar hulp afhankelijk is, heeft de vreemdeling de volgende stukken overgelegd:

- Een brief van een maatschappelijk werkster van GGZ Midden-Brabant van 8 februari 2007, waarin, onder meer, staat dat de moeder van de vreemdeling een post traumatische stress stoornis heeft en dat na de hereniging met haar dochter een verbetering van haar situatie was te bemerken.

- Een brief van een arts van de Stichting Medische Opvang Asielzoekers Brabant en Zeeland van 7 mei 2007, waarin staat dat de moeder van de vreemdeling momenteel niet in staat is om deel te nemen aan een nader gehoor en dat haar psychische problematiek is verslechterd.

- Een brief van de staatssecretaris van 28 maart 2007, waarin staat dat de moeder van de vreemdeling voorlopig niet wordt gehoord en dat over een half jaar een herbeoordeling plaatsvindt.

- Twee brieven van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van het Psychotraumacentrum Zuid Nederland van 22 mei 2007, onderscheidenlijk 8 juni 2007, waarin, onder meer, staat hoe en wanneer de behandeling van de moeder van de vreemdeling plaats zal vinden.

2.2.2. Hoewel uit deze stukken en uit de door de vreemdeling afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat de moeder van de vreemdeling ernstige medische klachten heeft en wellicht baat heeft bij haar aanwezigheid in Nederland, heeft de staatssecretaris zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op het standpunt mogen stellen dat hiermee niet aannemelijk is gemaakt dat de moeder, vanwege deze medische problemen, afhankelijk is van de zorg en hulp van de vreemdeling als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat uit artikel 11, vierde lid, van de Uitvoeringsverordening valt af te leiden dat de te verlenen hulp concreet van aard dient te zijn.

Nu de staatssecretaris ervan heeft mogen uitgaan dat tussen de vreemdeling en haar moeder geen sprake is van een situatie van afhankelijkheid in voormelde zin, heeft de rechtbank evenzeer ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de door de vreemdeling gestelde omstandigheden op de voet van artikel 11, derde lid, van de Uitvoeringsverordening bij de beoordeling van het asielverzoek van de vreemdeling had dienen te betrekken.

Grief 1 slaagt.

2.3. In grief 2 klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door te overwegen dat hij ten onrechte niet heeft getoetst aan het in paragraaf C3/2.3.6.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) met betrekking tot de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening neergelegde beleid, buiten de omvang van het geschil is getreden.

2.3.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2.3.2. Het beroepschrift, de bij de rechtbank overgelegde stukken en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de vreemdeling in eerste aanleg heeft betoogd dat in het besluit ten onrechte niet is beoordeeld of in haar geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, als bedoeld in paragraaf C3/2.3.6.4 van de Vc 2000, die maken dat haar overdracht aan Polen van een onevenredige hardheid getuigt. Nu geen grond bestond dit ambtshalve te beoordelen, is de rechtbank aldus buiten de grenzen van het geschil getreden.

Grief 2 slaagt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling omtrent het inleidende beroep, voor zover daarop na het vorenoverwogene nog moet worden beslist, als volgt.

2.5. Bij de rechtbank heeft de vreemdeling, samengevat weergegeven, naar voren gebracht dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat zij afhankelijk is van haar ouders in de zin van artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening. De staatssecretaris heeft aldus miskend dat zij een nauwe band met haar ouders heeft en dat de scheiding van haar ouders onvrijwillig was.

Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet op het standpunt mocht stellen dat de vreemdeling met dit betoog niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van haar ouders afhankelijk is in de zin van artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening. Het beroep van de vreemdeling is daarom ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 13 juni 2007 in zaak nr. 07/6017;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Dokkum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2007

480.