Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
200707523/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / asielaanvraag / uitzettingshandelingen / voortvarendheid

In hoger beroep heeft de staatssecretaris niet bestreden dat hij eerder uitzettingshandelingen, waarbij contact met de autoriteiten van het vermoedelijk land van herkomst achterwege wordt gelaten, had kunnen verrichten en aldus eerder onderzoek naar een eventuele gedwongen uitzetting van de vreemdeling had kunnen instellen. De eerste grief faalt reeds om die reden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707523/1.

Datum uitspraak: 5 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/38420 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 22 oktober 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en hem schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2007, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D. Kuiper, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.F.J.L. van Pelt, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de maatregel van bewaring met ingang van 9 oktober 2007 onrechtmatig is geworden, nu er niet binnen een week na de inbewaringstelling onderzoek is gestart naar de mogelijkheden om de vreemdeling uit te zetten. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de vreemdeling op 2 oktober 2007 te kennen had gegeven een asielaanvraag te willen indienen en hij derhalve gehouden was om tot de beslissing op die aanvraag af te zien van handelingen die de vreemdeling in contact brengen met de autoriteiten van zijn land van herkomst. Bovendien is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de vreemdeling, zoals ter zitting van de rechtbank is medegedeeld, op 22 oktober 2007 zou worden overgeplaatst naar het Aanmeldcentrum Schiphol om aldaar, in het kader van de zogenoemde AC-procedure, zijn asielaanvraag in te dienen. Het toepassen van die procedure binnen drie weken na de inbewaringstelling is voldoende voortvarend, aldus de staatssecretaris.

2.1.1. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris eerder, binnen een week na de oplegging van de maatregel, onderzoek had kunnen en moeten instellen naar de mogelijkheden om de vreemdeling gedwongen uit te zetten. Het starten van een asielprocedure staat daaraan niet in de weg, zij het dat de handelingen van de staatssecretaris in dat geval beperkt dienen te blijven tot onderzoek en handelingen waarbij geen contact met de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling wordt opgenomen, aldus de rechtbank.

2.1.2. In hoger beroep heeft de staatssecretaris niet bestreden dat hij eerder uitzettingshandelingen, waarbij contact met de autoriteiten van het vermoedelijk land van herkomst achterwege wordt gelaten, had kunnen verrichten en aldus eerder onderzoek naar een eventuele gedwongen uitzetting van de vreemdeling had kunnen instellen. De eerste grief faalt reeds om die reden.

2.2. Grief 2 mist zelfstandige betekenis.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.N.H. Nguyen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Nguyen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007

421.

Verzonden: 5 december 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak