Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
200707807/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingebewaring / staandehouding / redelijk vermoeden van illegaal verblijf / concrete tip voldoende actueel

Uit het op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakte en getekende proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 19 oktober 2007 gelezen in samenhang met het op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakte en ondertekende aanvullend proces verbaal van 31 oktober 2007 kan het volgende worden opgemaakt. Op 19 oktober 2007 hebben verbalisanten naar aanleiding van een tip een adrescontrole gedaan op de Madeliefstraat 57c te Rotterdam. Deze op 12 juni 2007 via een e-mail binnengekregen tip hield in dat op dat adres een aantal illegale Chinezen verblijft en dat er steeds weer andere Chinezen op dat adres verblijven. Aldaar hebben de verbalisanten de vreemdeling op 19 oktober 2007 staande gehouden. Bovenvermelde tip was ten tijde van de staandehouding van de vreemdeling voldoende actueel en kon derhalve grondslag bieden om haar krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 staande te houden. Ten onrechte heeft de rechtbank het tijdsverloop tussen het moment van ontvangst van de tip en de staandehouding van de vreemdeling vergelijkbaar geacht met het tijdsverloop dat is opgetreden in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2004 in zaaknrs. 200308647/1, 200308651/1, 200308652/1, 200308655/1, 200308658/1, 200308660/1, 200308664/1 en 200308666/1 (JV 2004/143), nu het tijdsverloop in die zaak bijna tien maanden bedroeg. De grief slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707807/1.

Datum uitspraak: 10 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/39884 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 november 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en haar schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de op 12 juni 2007 binnengekomen tip na een periode van drie maanden, zonder dat er nieuwe aanwijzingen bijgekomen zijn, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een redelijk vermoeden dat in het pand op het in die tip vermelde adres sprake is van de aanwezigheid van vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hier te lande hebben. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris aldus miskend dat die tip ten tijde van de staandehouding van de vreemdeling voldoende actueel was en derhalve grondslag kon bieden om haar krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) staande te houden.

2.1.1. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, zijn de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Volgens paragraaf A3/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, mag mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf worden aangenomen als sprake is van concrete (anonieme) tips over illegale vreemdelingen.

2.1.2. Uit het op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakte en getekende proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 19 oktober 2007 gelezen in samenhang met het op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakte en ondertekende aanvullend proces verbaal van 31 oktober 2007 kan het volgende worden opgemaakt.

Op 19 oktober 2007 hebben verbalisanten naar aanleiding van een tip een adrescontrole gedaan op de Madeliefstraat 57c te Rotterdam. Deze op 12 juni 2007 via een e-mail binnengekregen tip hield in dat op dat adres een aantal illegale Chinezen verblijft en dat er steeds weer andere Chinezen op dat adres verblijven. Aldaar hebben de verbalisanten de vreemdeling op 19 oktober 2007 staande gehouden.

2.1.3. Bovenvermelde tip was ten tijde van de staandehouding van de vreemdeling voldoende actueel en kon derhalve grondslag bieden om haar krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 staande te houden. Ten onrechte heeft de rechtbank het tijdsverloop tussen het moment van ontvangst van de tip en de staandehouding van de vreemdeling vergelijkbaar geacht met het tijdsverloop dat is opgetreden in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2004 in zaaknrs. 200308647/1, 200308651/1, 200308652/1, 200308655/1, 200308658/1, 200308660/1, 200308664/1 en 200308666/1 (JV 2004/143), nu het tijdsverloop in die zaak bijna tien maanden bedroeg. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgrond geen aanleiding geeft tot een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 19 oktober 2007 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 november 2007 in zaak nr. 07/39884;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Bakker

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2007

395.

Verzonden: 10 december 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak