Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200603203/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2006 hebben verweerders, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 17 januari 2006, de partiële herziening "Partiële herziening Streekplan Noord-Brabant 2002, concrete beleidsbeslissing N284 Hapert" (hierna te noemen: de partiële herziening) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603203/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    de stichting "Stichting Brabantse Milieufederatie" gevestigd te Tilburg en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid "Milieuvereniging Bladel" en anderen (hierna: de BMF, MB en anderen),

3.    [appellanten sub 3], gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats]

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellanten sub 5], wonend te [woonplaats],

en

Provinciale staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2006 hebben verweerders, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 17 januari 2006, de partiële herziening "Partiële herziening Streekplan Noord-Brabant 2002, concrete beleidsbeslissing N284 Hapert" (hierna te noemen: de partiële herziening) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 27 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2006, appellanten sub 2 bij brief van 2 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2006, appellanten sub 3 bij brief van 5 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 8 mei 2006, appellant sub 4 bij brief van 8 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2006, appellanten sub 5 bij brief van 10 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 oktober 2006 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 januari 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van de gemeenteraad van Bladel. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2007, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. H.A. Gooskens, appellanten sub 2, vertegenwoordigd door M. Visser, H. Gerringa en C.A.M. Jasper, appellanten sub 3, bij monde van [gemachtigde] en vertegenwoordigd door H.J. Verheggen en mr. P.W.M. Dorn, appellant sub 4, vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, appellant sub 5 bij monde van [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, F. Veurink, J.W. van de Booget en C. ten Tije, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Bladel, vertegenwoordigd door P.A.M. Stappaerts, ambtenaar van de gemeente, en S.P. Grem, burgemeester van de gemeente Bladel, en het openbaar lichaam "Kempisch Bedrijvenpark", vertegenwoordigd door [directeur].

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting hebben de BMF, MB en anderen hun beroepsgronden inzake het indienen van mondelinge zienswijzen, alsmede het niet houden van een hoorzitting ingetrokken.

Partiële herziening

2.2.    In de onderhavige partiële herziening van het "Streekplan Noord-Brabant 2002" zijn de volgende concrete beleidsbeslissingen opgenomen:

- Het tracé voor de omlegging is geprojecteerd van de N284 ten oosten van Hapert en ten westen van de gemeentegrens van Eersel. Het tracé is op plankaart 1 van het streekplan aangegeven als "provinciale ontsluitingsweg; tracé vastgesteld";

- Tegelijk met de voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan dat de GHS-landbouw voor een klein deel aantast en de GHS-natuur voor een nog kleiner deel aantast, wordt een bestemmingsplan voorbereid en vastgesteld waarin de vereiste compensatie van de aangetaste natuur- en landschapswaarden planologisch wordt geregeld.

De onderhavige partiële herziening voorziet daarmee in de als concrete beleidsbeslissing aangemerkte omlegging van de N284, inclusief een nieuwe aansluiting op de A67. Het tracé is aangegeven op kaart 1 en is op een groter schaalniveau aangegeven op kaart 2. De omlegging dient tevens ter ontsluiting van het nog te ontwikkelen Kempisch Bedrijven Park (hierna: KBP).

Formele bezwaren

2.3.    De BMF, MB en anderen stellen dat de zienswijzen gericht tegen het ontwerp van het streekplan in de "Nota van zienswijzen en wijzigingen streekplanherziening Omlegging N284 Hapert" te beknopt zijn weergegeven. Bovendien vermeldt de reactie op de zienswijze niet wie de indiener van welke zienswijze is, aldus de BMF, MB en anderen.

2.3.1.    De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerders de bezwaren samengevat weergeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd, dan wel anderszins geen recht doet aan de indieners van deze zienswijzen. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Nu bijlage 1 bij het ontwerp van de streekplanherziening een overzicht bevat met de namen van de indieners van de zienswijzen met daarachter de nummers van de thema's, waarover zij bezwaren hebben ingediend, geeft de bijlage duidelijkheid over wie de indiener is van een bepaalde zienswijze. Derhalve is de Afdeling van oordeel dat verweerders in zoverre op een zorgvuldige wijze met de zienswijzen zijn omgegaan.

Dit bezwaar slaagt dan ook niet.

Beroep [appellanten sub 3]

2.4.     [appellanten sub 3] stellen dat de continuïteit en ontwikkelingsmogelijkheden van hun rundvee- en varkensbedrijf in gevaar komt door de realisering van de aansluiting van de N284 op de A67.

Zij voeren hiertoe aan dat de nieuwe ontsluitingsweg is voorzien tussen hun rundvee- en varkensbedrijf, hetgeen een verlies aan landbouwgronden met zich brengt en in de weg staat aan voortzetting van de gezamenlijke bedrijfsvoering.

Gezien de eisen die aan een alternatieve locatie voor hun bedrijf dienen te worden gesteld, zijn deze locaties schaars. Derhalve had het volgens appellanten in de rede gelegen dat verweerders eerst een alternatieve locatie hadden gezocht alvorens de onderhavige partiële herziening van het streekplan vast te stellen.

Nu nog onduidelijkheden bestaan omtrent de verplaatsing van het bedrijf van appellanten, heeft men met de kosten van verplaatsing in de financiële onderbouwing van het plan geen rekening kunnen houden, zodat het plan ook in zoverre ondeugdelijk is, aldus appellanten.

2.4.1.    Verweerders stellen zich op het standpunt dat eerst in een bestemmingsplan of in een ander ruimtelijk plan de invloed van de weg op het agrarische gebruik inzichtelijk wordt en derhalve ook pas in dat kader een besluit omtrent een alternatieve locatie behoeft te worden genomen. Voorts is volgens verweerders bij de financieringsafspraken voor de weg rekening gehouden met eventuele kosten voor de aankoop, dan wel mogelijke compensatie voor verminderd gebruik van percelen.

2.4.2.    Appellanten exploiteren een gecombineerde rundveehouderij en intensieve varkenshouderij aan de [locaties] te [plaats].

De aansluiting van de N284 op de A67 is gedeeltelijk geprojecteerd op de gronden van appellanten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het afstaan van een deel van de bij de bedrijven in gebruik zijnde gronden voor de omlegging van de N284 het continueren van de bedrijfsvoering niet geheel onmogelijk maakt, maar dat niet in geschil is dat het bedrijf ter plaatse op termijn niet kan worden voortgezet.

2.4.3.    Ten aanzien van het betoog van appellanten dat in het bestreden besluit onvoldoende duidelijkheid is geboden over een vervangende bedrijfslocatie, overweegt de Afdeling als volgt. Niet vereist is dat in de fase van de besluitvorming over de locatie van de aan te leggen aansluiting van de N284 op de A67 reeds volledige duidelijkheid dient te bestaan over een vervangende bedrijfslocatie voor het bedrijf van appellanten. Verweerders hebben ermee kunnen volstaan vast te stellen dat niet gebleken is dat het onmogelijk is een vervangende bedrijfslocatie te vinden. De daadwerkelijke invulling van een vervangende locatie kan in een volgende fase van de besluitvorming aan de orde komen. In dat verband is van belang dat reeds bij de financieringsafspraken van de weg rekening is gehouden met verminderde ontwikkelingsmogelijkheden, dan wel verplaatsing, van het bedrijf van appellanten. Voorts zijn de exacte gevolgen van de aanleg van de weg afhankelijk van de precieze inrichting van het tracé, waarover in deze fase van de besluitvorming nog geen duidelijkheid bestaat, noch behoeft te bestaan.

Gelet op het vorenoverwogene treft hetgeen [appellanten sub 3] tegen de concrete beleidsbeslissing naar voren hebben gebracht geen doel.

Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond.

Het MER

2.5.    De BMF, MB en anderen stellen in beroep dat het MER dat ten grondslag is gelegd aan de partiële herziening van het streekplan onvolledig is, hetgeen volgens appellanten ook blijkt uit de actualisering die in 2005 is verschenen. Dit aanvullende MER is volgens appellanten ten onrechte niet getoetst aan de m.e.r.-richtlijnen. Evenmin is deze voorgelegd aan de Commissie voor de m.e.r. (hierna: de Commissie) en bestond ten aanzien daarvan geen mogelijkheid tot inspraak, aldus appellanten.

2.5.1.    Verweerders betogen dat de keuze voor het voorkeurstracé, zoals opgenomen in de partiële herziening van het streekplan is gebaseerd op het MER en de aanvullende onderzoeken. Verweerders hebben het niet nodig geacht ook de aanvullende onderzoeken aan de Commissie voor te leggen, aangezien de uitkomsten van deze aanvullende onderzoeken niet tot andere conclusies leiden wat betreft de milieueffecten en de vergelijking van de alternatieven.

2.5.2.    Het MER dateert van maart 2002. Op 5 juli 2002 heeft de Commissie haar toetsingsadvies uitgebracht over het milieueffectrapport/Tracénota N284 Eersel-Reusel en de, naar aanleiding van een op 27 mei 2002 gehouden deskundigenoverleg, ingediende aanvulling daarop.

In het toetsingsadvies concludeert de Commissie dat in het aldus aangevulde MER de essentiële informatie aanwezig is. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze conclusie te twijfelen.

Omdat na het maken van het MER inmiddels twee jaren waren verstreken hebben verweerders bij de voorbereiding van het bestreden besluit gevraagd om een actualisering van de verkeersgegevens.

De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 16 februari 2005 "MER N284, actualisering verkeer, geluid, lucht en veiligheid gericht op Hapertvariant" (hierna: Actualisering MER N284). In dit rapport zijn naast de verkeersintensiteiten ook de gegevens met betrekking tot geluid, lucht en externe veiligheid geactualiseerd.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van een aanmerkelijke wijziging van de omstandigheden ten opzichte van de omstandigheden waarvan bij het maken van het MER is uitgegaan, als bedoeld in artikel 7.27 Wm. Gezien het vorenstaande heeft verweerder het rapport van 16 februari 2005 op goede gronden niet als aanvullend MER, maar als een actualiserend onderzoek aangemerkt. Voorts bestaat geen rechtsregel op grond waarvan in dit geval genoemd actualiserend onderzoek aan de Commissie moest worden voorgelegd, dan wel aan de richtlijnen voor de m.e.r. diende te worden getoetst.

Nu het rapport Actualisering MER N284 aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, bestond de mogelijkheid voor het indienen van een zienswijze in het kader van de onderhavige procedure met betrekking tot de vaststelling van de partiële herziening van het streekplan. Geen rechtsregel noopt ertoe dat ook in de onderhavige procedure met betrekking tot genoemd actualiserend onderzoek inspraakmogelijkheden worden geboden.

Gezien het vorenstaande treffen bovengenoemde bezwaren dan ook geen doel.

Noodzaak omlegging/samenhang KBP

2.6.    [appellant sub 1] en [appellanten sub 5] hebben aangevoerd dat de noodzaak voor de omlegging van de N284 ontbreekt, indien het KBP niet zal worden aangelegd.

2.6.1.    Verweerders stellen dat in de toekomst de omlegging zal dienen ter ontsluiting van het KBP, maar dat met de omlegging van de N284 allereerst is beoogd het spitsgeoriënteerde probleem met name op het weggedeelte tussen Eersel en de A67 op te lossen. Juist op dit weggedeelte zal de verkeersgroei doorzetten, ook als het KBP niet zal worden ontwikkeld.

2.6.2.    Volgens de stukken bedraagt de intensiteit/capaciteitverhouding op de N284 in de huidige situatie 0,85, hetgeen volgens de stukken als een zogenoemde kritische grens wordt gezien. Volgens het Provinciale Verkeers- en Vervoersplan valt tot 2020 ten opzichte van 2003, een groei van 35% te verwachten.

2.6.3.    Gelet op het vorenstaande is door verweerders voldoende aannemelijk gemaakt dat ook indien het KBP niet zal worden gerealiseerd, omlegging van de weg noodzakelijk is.

Derhalve hebben verweerders vanuit een oogpunt van noodzakelijkheid in redelijkheid een partiële herziening kunnen vaststellen waarin uitsluitend de wegomlegging van de N284 is opgenomen.

Gezien het vorenstaande treft het betoog van appellanten dan ook geen doel.

Gekozen tracé

2.7.    De BMF, MB en anderen stellen dat er duurzamere alternatieven bestaan dan de zogenoemde Hapert-variant, die in de partiële herziening is vastgelegd.

[appellanten sub 5] stellen dat bij de keuze voor het onderhavige alternatief onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor het weggedeelte van de N284 tussen Hapert en Reusel. Zij geven daarom de voorkeur aan een variant waarin de aansluiting op de A67 ter hoogte van Reusel is voorzien.

2.7.1.    Verweerders stellen dat uitgaande van de verkeersprognoses in het rapport van 16 februari 2005 en de komst van het KBP op de locatie Hapert-Zuid het onderhavige alternatief het meest duurzaam is.

2.7.2.    Ten behoeve van de besluitvorming over de provinciale weg N284 tussen Eersel en Reusel is een milieueffectrapportage uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het MER van maart 2002. Ten tijde van het opstellen van dit MER bestond nog geen duidelijkheid omtrent de locatie van het KBP. Het MER vermeldt dat bezien vanuit een lange termijnperspectief de alternatieven Hapert, de Pan en Duizel het grootste probleemoplossend vermogen bezitten. Tevens vermeldt het MER dat wanneer het bedrijvenpark wordt voorzien op de locatie Hapert-Zuid, bij een proactieve houding de keuze voor alternatief Hapert voor de hand ligt, omdat dit alternatief voorziet in een directe ontsluiting van het bedrijvenpark op de A67. Weliswaar bundelt het alternatief Hapert niet met de bestaande infrastructuur, hetgeen op grond van het provinciale beleid wel de voorkeur geniet, maar verbetering van de bestaande N284 is volgens de in het MER veronderstelde ontwikkelingen op de lange termijn niet toereikend. Voorts zijn de effecten van alternatief Hapert op de natuurlijke omgeving relatief beperkt indien het bedrijvenpark op de locatie Hapert-Zuid wordt gesitueerd. Daarbij moet volgens het MER worden betrokken dat het bedrijvenpark ook zelf effecten heeft op de natuurlijke omgeving.

Zoals overwogen onder 2.5.2. hebben verweerders bij de voorbereiding van het bestreden besluit gevraagd om een actualisering van de verkeersgegevens en zijn de resultaten van dit onderzoek neergelegd in het rapport Actualisering MER N284. Volgens dit rapport worden het nulplusalternatief, het verbeteralternatief en een milieu- en natuuralternatief wat oplossend vermogen betreft problematisch voor de situatie in 2020.

Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant zijn voorkeur uitgesproken voor de locatie Hapert-Zuid als vestigingsplaats voor het KBP. Ook de Kempengemeenten hadden inmiddels gekozen voor die locatie. Het gemeentebestuur van Bladel had de bestemmingsplanprocedure ten behoeve van de aanleg van het KBP aldaar reeds in gang gezet.

2.7.3.    Gelet op het MER van maart 2002, zoals geactualiseerd door het rapport van 16 februari 2005, hebben de alternatieven Hapert, de Pan en Duizel het grootste probleemoplossend vermogen. In de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit door het college van gedeputeerde staten en de Kempengemeenten gemaakte keuze voor de vestiging van het KBP op de locatie Hapert-Zuid, alsmede in de in gang gezette bestemmingsplanprocedure ten behoeve van die vestiging, hebben verweerders voldoende aanleiding kunnen zien de voorkeur te geven aan de zogenoemde Hapert-variant. Daarbij betrekt de Afdeling ook hetgeen het MER vermeldt omtrent het meest voor de hand liggende tracé indien het KBP wordt gerealiseerd op de locatie Hapert-Zuid.

Gezien het vorenstaande treffen deze betogen van appellanten dan ook geen doel.

Luchtkwaliteit

2.8.    [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] stellen in beroep dat het onderzoek inzake de luchtkwaliteit onvolledig is, dan wel gebreken vertoont.

[appellant sub 1] stelt dat de invloed van de wegomlegging op de luchtkwaliteit ten onrechte volledig is losgekoppeld van de invloed van het bedrijventerrein op de luchtkwaliteit. Ook de BMF, MB en anderen, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5], wijzen op de samenhang tussen de aanleg van de weg en het bedrijventerrein.

[appellanten sub 5] wijzen erop dat de luchtkwaliteit ter plaatse van Hapert (gemeente Bladel) verslechtert, terwijl de luchtkwaliteit van de vier Kempengemeenten juist in die gemeente al het slechtst is. De BMF, MB en anderen betogen dat er reeds sprake is van een overschrijding van de meest basale Europese normen. Volgens hen zal de aanleg van de weg uiteindelijk leiden tot meer verkeer, hetgeen een grotere uitstoot en een vergroting van het aantal blootgestelden met zich zal brengen.

[appellanten sub 5] wijzen tevens op een aantal andere ontwikkelingen die volgens hen leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

[appellant sub 4] betoogt dat het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van zijn woning. Hij acht dit onaanvaardbaar nu de normen uit het Besluit luchtkwaliteit ter plaatse reeds worden overschreden.

2.8.1.    Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat voldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen die het plan heeft voor de luchtkwaliteit en dat daaruit blijkt dat dit milieuaspect geen belemmering vormt voor de in de partiële herziening van het Streekplan Noord-Brabant 2002 voorziene omlegging van de N284.

2.8.2.    Ten behoeve van de voorbereiding van de partiële herziening is onderzoek verricht naar de gevolgen van de wegomlegging voor de luchtkwaliteit. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het onderzoeksrapport "Onderzoek luchtkwaliteit wegomlegging N284 provincie Noord-Brabant" van 14 oktober 2005, van Arcadis.

In dit onderzoek is rekening gehouden met de gevolgen van het KBP voor zover het de verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein betreft. De mogelijke gevolgen van de bedrijfsactiviteiten van de op het KBP te vestigen bedrijven zijn niet in het onderzoek betrokken.

Na het nemen van het bestreden besluit zijn de gevolgen voor de luchtkwaliteit opnieuw onderzocht. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 13 juli 2007 "Integraal onderzoek luchtkwaliteit Kempisch bedrijvenpark en wegomlegging N284". In dat rapport wordt geconcludeerd dat als alle relevante concentratiebijdragen van de diverse bronnen bij elkaar worden opgeteld, langs de N284 bij Eersel op twee locaties de grenswaarden van stikstofdioxiden worden overschreden. Dit doet zich zowel in 2007 als in 2010 voor. Met de realisatie van het KBP en de onlosmakelijk daarmee verbonden wegomlegging van de N284 worden deze overschrijdingen teniet gedaan, aldus het luchtkwaliteitsrapport.

2.8.3.    Zoals overwogen onder 2.7.3. hebben verweerders gezien de mate van waarschijnlijkheid dat het KBP zou worden ontwikkeld op de locatie Hapert-Zuid gekozen voor de zogenoemde Hapert-variant. Gelet hierop en mede gezien de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in gang gezette bestemmingsplanprocedure voor het KBP was in dit geval derhalve reeds sprake van een voldoende voorzienbare en concrete ontwikkeling zodat deze in de beoordeling van de luchtkwaliteit had moeten worden betrokken. Verweerders zijn er bij het nemen van het bestreden besluit dan ook ten onrechte vanuit gegaan dat de invloed die de bedrijvigheid op het KBP heeft op de luchtkwaliteit, in het luchtkwaliteitsonderzoek buiten beschouwing kon worden gelaten.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering en is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

De beroepen van [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen en [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] zijn gegrond. Gelet op de samenhang tussen beide in overweging 2.2. genoemde concrete beleidsbeslissingen ziet de Afdeling aanleiding het bestreden besluit voor zover het de beide daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen betreft, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te vernietigen.

2.8.4.    In het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het luchtkwaliteitsrapport van 13 juli 2007 is de invloed van de op het KBP te vestigen bedrijven op de luchtkwaliteit wel betrokken. Anders dan appellanten ter zitting hebben gesteld, is het rapport niet op een zodanig laat moment in procedure gebracht dat het rapport om deze reden buiten beschouwing dient te worden gelaten. Nu de BMF, MB en anderen echter genoemd rapport en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek gemotiveerd hebben bestreden, met name met betrekking tot het ontbreken van meetpunten voor de kruising van de N284 met de geplande omlegging en beide afslagen naar Hapert, staat echter niet buiten twijfel dat aan de normen van het Blk 2005 wordt voldaan. Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding op grond van dit rapport de rechtsgevolgen in stand te laten.

2.8.5.    Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] geen bespreking meer.

Proceskosten

2.9.    Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen en [appellant sub 4]   .

Niet gebleken is dat door een derde beroepsmatige proceshandelingen zijn verricht voor de BMF, MB en anderen.

Ten aanzien van [appellanten sub 5] is niet van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gebleken.

Ten aanzien van [appellanten sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], de BMF, MB en anderen, [appellant sub 4] en [appellanten sub 5] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van Provinciale staten van Noord-Brabant van 10 maart 2006, kenmerk 11/06 B tot vaststelling van de "Partiële herziening Streekplan Noord-Brabant 2002 inzake Omlegging N284 Hapert" voor zover het de daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen betreft;

III.    verklaart het beroep van [appellanten sub 3] ongegrond;

IV.    veroordeelt Provinciale staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de hierna te noemen appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten. Deze kosten dienen door de provincie Noord-Brabant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald aan:

- [appellant sub 1] tot een bedrag van € 678,73 (zegge: zeshonderdachtenzeventig euro en drieënzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;

- de BMF, MB en anderen tot een bedrag van € 27,93 (zegge zevenentwintig euro en drieënnegentig cent);

- [appellant sub 4] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 1],[appellant sub 4] en [appellanten sub 5] elk afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt en aan de BMF, MB en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Tuit

Voorzitter    ambtenaar van Staat    

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

425.