Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200701552/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Oss het bestemmingsplan "Goudmijnstraat Oss" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/4788
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701552/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3] en anderen, wonend te [woonplaats],

4.    [appellante sub 4], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Oss het bestemmingsplan "Goudmijnstraat Oss" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 februari 2007, nummer 1212830, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 28 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2007, appellant sub 2 bij brief van 28 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2007, appellanten sub 3 bij brief van 22 maart 2007, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 4 bij brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2007, beroep ingesteld. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 23 april 2007 en appellant sub 4 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 7 mei 2007.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2007, waar appellanten sub 1, in de persoon van [appellant sub 1], appellant sub 2, in persoon, appellanten sub 3, in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door J. Boter, werkzaam bij de Stichting Univé Rechtshulp, en appellant sub 4, in persoon en bijgestaan door mr. J.F.M. van Erp, advocaat te Oss, zijn verschenen.

Voorts zijn daar als partij gehoord verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J. Eliazer, ambtenaar van de provincie, en de gemeenteraad van Oss, vertegenwoordigd door mr. E. Steemers, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in een regeling voor het realiseren van 68, eventueel uit te breiden tot maximaal 80, woningen aan de Goudmijnstraat. Verweerder heeft het plan goedgekeurd omdat hij geen reden heeft gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of anderszins met het recht. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied. [appellant sub 4] is eigenaar van gronden binnen het plangebied. Volgens appellanten heeft verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan verleend.

2.2.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2]

2.3.    Appellanten stellen dat het plan voor zover hierin is voorzien in de bouw van woningen in de omgeving van hun percelen, een onevenredige inbreuk op hun privacy en een ernstige afname van de bezonning zal veroorzaken.

2.3.1.    Met betrekking tot de aantasting van hun privacy voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] aan dat door de toegestane bouwhoogte en de ligging van de voorziene woningen vlak naast hun huizen aan de [locaties], de toekomstige bewoners voortdurend in hun huizen zullen kunnen kijken. Dit zal vooral zeer belastend zijn omdat niet alleen de woonkamers maar ook de slaapkamers van de woningen aan de [locatie] zich aan de achterzijde van de huizen bevinden.

2.3.1.1.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het plan geen onaanvaardbare aantasting van de bestaande woonsituatie zal veroorzaken, gelet op de afstand van de voorziene woningen tot de woningen van appellanten en het feit dat het een inbreidingslocatie betreft. Hierbij heeft hij overwogen dat het provinciaal beleid is gericht op zuinig ruimtegebruik en dat het optimaal benutten van inbreidingslocaties daarbij van groot belang is.

2.3.1.2.    De Afdeling stelt vast dat de voorziene woningen op een afstand van ongeveer 20 meter van de achtergevels van de woningen aan de [locaties] en schuin ten opzichte van die woningen zullen worden gerealiseerd. Daarnaast zullen de tuinen van de geplande woningen worden voorzien van een erfafscheiding, waardoor de tuinen en huizen van appellanten op de begane grond in zekere mate afgeschermd worden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van appellanten.

2.3.2.    Met betrekking tot de bezonning stellen appellanten dat het plan voor de naast hun huizen voorziene woningen een te hoge bouwhoogte toelaat. Zij voeren hiertoe aan dat bij een bouwhoogte voor hoofdgebouwen van 9,5 meter de bezonning in hun tuinen sterk zal afnemen. In dit kader stellen [appellant sub 1] en anderen dat zij ernstig twijfelen aan de resultaten van het bezonningsonderzoek.

2.3.2.1.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit het gemeentelijk onderzoek naar de schaduwwerking van de op te richten bebouwing blijkt dat in de tuinen van de omwonenden geen of slechts een geringe beperking van de bezonning is te verwachten. Deze eventuele beperkingen acht hij voor een inbreidingslocatie in stedelijk gebied aanvaardbaar.

2.3.2.2.    De Afdeling stelt voorop dat [appellant sub 1] en anderen, die twijfelen aan de juistheid van het bezonningsonderzoek, hun standpunt in het geheel niet hebben onderbouwd. Verweerder heeft dan ook van de resultaten van het onderzoek mogen uitgaan.

Uit het onderzoek blijkt dat de schaduwwerking van de voorziene woningen op 1 april om half vijf 's middags voor de gronden van [appellant sub 1] en anderen aan de [locatie] nog geen negatieve effecten heeft. De gronden van [appellant sub 2] aan de [locatie] liggen op 1 april om twee uur 's middags nog geheel in de zon; pas om half vijf in de middag is sprake van enige schaduwwerking.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij de afweging van de bij het besluit betrokken belangen aan de gevolgen voor de bezonning van de percelen van appellanten geen doorslaggevende betekenis behoefde toe te kennen.

2.3.3.    Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat door het plan de waarde van hun huizen drastisch zal verminderen, overweegt de Afdeling dat, indien sprake zou zijn van waardevermindering van de betrokken woningen de WRO daarvoor een schadevergoedingsregeling bevat. De Afdeling is van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat een dergelijke waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder daarom van goedkeuring van het desbetreffende plandeel had moeten afzien.

2.3.4.    De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op het desbetreffende punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn mitsdien ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

2.4.    Appellanten stellen dat het plan voor zover hierin is voorzien in de bouw van woningen naast hun perceel aan de [locatie], een ernstige afname van de bezonning van hun perceel en een onevenredige inbreuk op hun woongenot zal veroorzaken. In dit kader richten zij zich tevens tegen de parkeermogelijkheden in het plan.

2.4.1.    Appellanten stellen hiertoe dat hun woongenot ernstig beperkt zal worden omdat het plan hoge bebouwing toelaat tot op de zijdelingse perceelsgrens. Hierdoor zal de woning van appellanten verdrukt worden en zullen de lichtinval en bezonning in de tuin en woning sterk verminderen. Volgens appellanten is het bezonningsonderzoek ondeugdelijk, omdat hierin geen rekening is gehouden met de situatie dat ook bijgebouwen worden gebouwd.

2.4.1.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het plan toegelaten maten voor bijgebouwen en hoofdgebouwen redelijk zijn voor een inbreidingslocatie in stedelijk gebied. Hierbij heeft hij in aanmerking genomen dat het provinciaal beleid is gericht op zuinig ruimtegebruik en dat het optimaal benutten van inbreidingslocaties daarbij van groot belang is. Voorts blijkt uit het gemeentelijk onderzoek naar de schaduwwerking van de op te richten bebouwing, dat in de tuinen van de omwonenden geen of slechts een geringe beperking van de bezonning is te verwachten, aldus verweerder. Deze eventuele beperkingen acht hij voor een inbreidingslocatie in stedelijk gebied aanvaardbaar.

2.4.1.2.    Het plangebied grenst aan de oostzijde direct aan het perceel van appellanten. Het terrein ten zuiden van de [locatie] zal door middel van een 4 meter hoge erfafscheiding worden afgescheiden van de [locatie]. De woning van appellanten is 6 meter breed, heeft een goothoogte van ongeveer 3 meter en bestaat uit twee bouwlagen, met inbegrip van de kap. De woning ligt aan de voorzijde direct aan de Goudmijnstraat. Het perceel waarop de woning ligt, is 7 meter breed. De tuin ligt op het noorden. De ramen van de woning zijn op het zuiden en westen gericht.

   Het plandeel maakt de bouw van woningen mogelijk met een goothoogte van niet meer dan 6 meter en een nokhoogte van niet meer dan 7,5 meter. De in het plan opgenomen regeling voor bijgebouwen staat een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale bouwhoogte van 4,5 meter toe, waarbij bijgebouwen tot op de perceelsgrens zijn toegestaan over nagenoeg de gehele diepte van het perceel van appellanten.

2.4.1.3.    De Afdeling stelt vast dat het voorziene hoofdgebouw op 3 meter van de grens van het perceel van appellanten mag worden opgericht. Tevens zal het hoofdgebouw een verdieping hoger zijn dan de woning van appellanten. Mede in aanmerking genomen dat de ramen van appellanten vooral op het westen zijn georiënteerd, in de richting van de voorziene woningen, zal de bebouwing tot gevolg hebben dat de daglichttoetreding en bezonning in de woning en de tuin van appellanten in niet onbelangrijke mate zal verminderen. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat in het bezonningsonderzoek geen rekening is gehouden met mogelijke bijgebouwen die tot op de perceelsgrens mogen worden gebouwd. Hierdoor kan het woon- en leefklimaat van appellanten in ernstige mate worden aangetast.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden woonhuizen (WWH)" en de aanduiding 'half vrijstaand (HV)' dat betrekking heeft op de gronden ten westen van de Goudmijnstraat 29, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.4.1.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.4.2.    Appellanten stellen voorts dat de parkeermogelijkheden in het plan te beperkt zijn. Zij voeren aan dat er geen onderzoek is gedaan naar de feitelijke parkeersituatie en de te verwachten parkeerproblemen, maar dat het gemeentebestuur zich verschuilt achter algemene parkeernormen.

2.4.2.1.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit artikel 3.2. van de planvoorschriften volgt dat bij uitvoering van het plan moet worden voldaan aan de parkeernormen die zijn opgenomen in de Bouwverordening. Aangezien deze parkeernormen zijn gebaseerd op de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de grond-, water-, wegenbouw- en verkeerstechniek (hierna: CROW) en het parkeren voornamelijk op eigen terrein zal plaatsvinden, bevat het plan voldoende waarborgen ten aanzien van het aantal parkeervoorzieningen, aldus verweerder.

2.4.3.    Blijkens de plantoelichting zijn de parkeernormen in de Bouwverordening gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Ingevolge artikel 3.2. van de planvoorschriften dient aan deze normen te worden voldaan. Daarbij is aangegeven dat dit inhoudt dat de parkeervoorzieningen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden (VV)" onder meer bestemd voor parkeervoorzieningen. Ook de in het plan voorziene bestemmingen "Woondoeleinden woonhuizen (WWH)", "Woondoeleinden woongebouwen 1 (WWG-1)" en "Woondoeleinden woongebouwen 2 (WWG-2)" zijn mede bestemd voor parkeervoorzieningen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze regelingen in onvoldoende mate kunnen voorzien in de behoefte aan parkeergelegenheid.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Beroep van [appellant sub 4]

2.5.    Appellant stelt dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hierbij wijst hij op het bestaan van een alternatief plan dat stedenbouwkundig gezien beter is en op het feit dat het gemeentebestuur dit ook heeft beaamd. Tevens stelt hij dat het plan onvoldoende is gemotiveerd en dat het plan niet binnen de planperiode kan worden gerealiseerd. Hiertoe voert hij aan dat het plan enkel in procedure is gebracht vanwege de aflopende termijn van het gevestigde voorkeursrecht op de gronden binnen het plangebied. Verder is het plan niet binnen de planperiode uitvoerbaar aangezien hij zijn gronden niet wenst te verkopen.

2.5.1.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het gemeentebestuur bij de voorbereiding van het plan verschillende onderzoeken heeft verricht waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat deze niet deugdelijk zijn. Tevens stelt verweerder dat niet aannemelijk is gemaakt dat de afwegingen die het gemeentebestuur op basis van deze onderzoeken heeft gemaakt onzorgvuldig of ongemotiveerd zijn. De eventuele aanwezigheid van een alternatief stedenbouwkundig plan is daarop niet van doorslaggevende invloed, aldus verweerder.

2.5.2.    Ten aanzien van het bezwaar van appellant dat het plan onzorgvuldig is voorbereid, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de plantoelichting blijkt dat alle benodigde onderzoeken ter voorbereiding van het plan zijn uitgevoerd. Gesteld noch gebleken is dat deze onderzoeken ondeugdelijk zijn.

Daarnaast kan het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Tevens blijkt uit de planstukken niet van een voorkeur van het gemeentebestuur voor het door appellant voorgestelde alternatieve stedenbouwkundige plan.

2.5.3.    Voorts stelt appellant dat de gemeenteraad overhaast heeft beslist in verband met het aflopen van het gevestigde voorkeursrecht. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat het plan eerder dan gepland in procedure is gebracht, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5.4.    Met betrekking tot het bezwaar van appellant dat het plan niet binnen de planperiode gerealiseerd kan worden, overweegt de Afdeling dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit er vanuit mocht gaan dat de activiteiten van appellant op zijn gronden in het plangebied binnen de planperiode zullen worden beëindigd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gemeenteraad op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten een voorkeursrecht heeft gevestigd op deze gronden en dat het gemeentebestuur voornemens is over te gaan tot onteigening indien de onderhandelingen niet leiden tot minnelijke verwerving.

2.5.5.    De conclusie is dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is mitsdien ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.6.    Ten aanzien van [appellant sub 3] en anderen dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 4] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] en anderen voor zover dat is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden woonhuizen (WWH)" en de aanduiding 'half vrijstaand (HV)' dat betrekking heeft op de gronden ten westen van [locatie], gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 februari 2007, nummer 1212830, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden woonhuizen (WWH)" en de aanduiding 'half vrijstaand (HV)' dat betrekking heeft op de gronden ten westen van [locatie];

III.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 4] geheel, en het beroep van [appellant sub 3] en anderen voor het overige, ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 3] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant aan P.P. Hoekstra en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 3] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Kooijman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

177-545.