Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0543

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200702713/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven (hierna: het dagelijks bestuur) aan Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (hierna: vergunninghoudster) onder meer een sloopvergunning verleend op grond van artikel 20 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing voor het slopen van de panden aan de Engelsestraat 73 tot en met 81 (oneven nummers), Portugesestraat 2 tot en met 30 (even nummers), Zweedsestraat 76, 78 (even nummers) en Italiaansestraat 9 tot en met 35 (oneven nummers) te Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 58 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702713/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. VEROR 06/3798 van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Delfshaven (hierna: het dagelijks bestuur) aan Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (hierna: vergunninghoudster) onder meer een sloopvergunning verleend op grond van artikel 20 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing voor het slopen van de panden aan de Engelsestraat 73 tot en met 81 (oneven nummers), Portugesestraat 2 tot en met 30 (even nummers), Zweedsestraat 76, 78 (even nummers) en Italiaansestraat 9 tot en met 35 (oneven nummers) te Rotterdam.

Bij besluit van 1 maart 2005 heeft het dagelijks bestuur aan vergunninghoudster voor die panden een sloopvergunning verleend op grond van artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening Rotterdam 1993.

Bij besluit van 6 september 2005 heeft het dagelijks bestuur het door appellante tegen de besluiten van 30 december 2004 en 1 maart 2005 gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2006, verzonden op 7 juni 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 september 2005 vernietigd.

Bij besluit van 8 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur, naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 30 december 2004 en 1 maart 2005 beslist en deze bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2007, verzonden op 12 maart 2007, heeft de rechtbank het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 mei 2007 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J.M. Mulder, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door E.M.C. Pors.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 20 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing (hierna: WSDV) is het in gebieden, waarvoor een leefmilieuverordening geldt, verboden te slopen zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

   Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WSDV mag een sloopvergunning worden geweigerd, indien bouwvergunning kan worden verleend voor een in plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk, doch deze vergunning nog niet is aangevraagd.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid de sloopvergunning als bedoeld in artikel 20 van de WDSV heeft kunnen verlenen.

2.2.1.    Dit betoog slaagt niet. Allereerst staat, anders dan appellante kennelijk meent, artikel 21, eerste lid, van de WSDV er niet aan in de weg dat een sloopvergunning wordt verleend, alvorens een bouwvergunning is aangevraagd dan wel verleend voor de heroprichting van de te slopen bouwwerken. Daarnaast blijkt uit de in het dossier aanwezige stukken dat ten tijde van het in beroep bestreden besluit van 8 augustus 2006 een aanvraag om bouwvergunning was ingediend voor de heroprichting van de te slopen bouwwerken. Derhalve was ten tijde van dat besluit geen sprake (meer) van een nog niet ingediende aanvraag om bouwvergunning. Gelet op de kennelijke bedoeling van artikel 21, eerste lid, van de WSDV, was er voor het college geen enkele grond meer om het verlenen van de sloopvergunning ongedaan te maken.

   De rechtbank is tot de juiste conclusie gekomen dat geen grond bestond deze sloopvergunning te weigeren.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

218-552.