Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200705789/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 22 maart 2007 jegens [appellant] bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellant] komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/2446
JAF 2007/94 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705789/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 22 maart 2007 jegens [appellant] bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 5 juli 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft het college, onder wijziging van de vermelding welke voorschriften zijn overtreden, het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 9 augustus 2007, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2007, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2007, waar [appellant], in persoon, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In artikel 4.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: de APV) is bepaald dat de inzameling van afvalstoffen kan plaatsvinden via een door of vanwege de gemeente verstrekte of geplaatste inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen. Ingevolge het tweede lid kan het college van burgemeester en wethouders aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel(en) of - voorziening(en) de inzameling van bepaalde categorieën huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.

   Ingevolge artikel 4.2.11, eerste lid, van de APV is het voor de gebruiker van een perceel ten behoeve waarvan krachtens artikel 4.2.4, tweede lid, een inzamelvoorziening voor een bepaalde categorie afvalstoffen is aangewezen, verboden de desbetreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via die inzamelvoorziening.

   Ingevolge artikel 4.2.18, eerste lid, van de APV wordt, indien degene die feitelijk handelt of heeft gehandeld in strijd met deze paragraaf ten aanzien van het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen onbekend is of onbekend is gebleven, de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid geacht te hebben gehandeld in strijd met de desbetreffende bepaling in de APV.

2.2.    De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het op 22 maart 2007 verwijderen van een hoeveelheid huisvuil in een afvalzak, aan de [locatie], ter hoogte van nummer […], die op een zodanige manier in de container was geplaatst dat de vulopening van de container hierdoor werd geblokkeerd.

2.3.    [appellant] voert aan dat de omvang van de door hem aangeboden afvalzakken zodanig is, dat het niet mogelijk is daarmee de vulopening van de container te blokkeren. Volgens [appellant] stelt het college ten onrechte dat anderen geen gebruik meer konden maken van de container, aangezien er drie containers bij elkaar staan met elk vier vulopeningen, zodat er nog elf vulopeningen beschikbaar waren. Voorts betoogt [appellant] dat het ontwerp van de containers zodanig is dat iedereen er spullen in en uit kan doen. Hij betoogt dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor wat er na het door hem op juiste wijze aanbieden van huisvuil gebeurt.

2.3.1.    Het college voert aan dat in het proces-verbaal is vermeld dat de huisafvalzak is aangetroffen in de vulopening. Daarmee is volgens het college niet gezegd dat de zak ook daadwerkelijk klem zat, maar dat de zak, doordat deze in de vulopening was achtergelaten, de vulopening blokkeerde, zodat anderen daarvan geen gebruik konden maken.

2.3.2.    Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang tenzij de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.3.3.    Naar vaste jurisprudentie is overtreder degene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk schendt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 juni 2005 in zaak nr. 200501068/1 (AB 2005, 247), zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet voor personen van wie het op grond van door hen geleverd tegenbewijs niet aannemelijk is dat zij het te handhaven voorschrift daadwerkelijk hebben geschonden.

2.3.4.    De Afdeling overweegt dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd dat [appellant] heeft gehandeld in strijd met de artikelen 4.2.11, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV. Ingevolge deze artikelen, gelezen in onderling verband, is het verboden afvalstoffen anders aan te bieden dan via de voor de bewoners van een aantal percelen aangewezen inzamelvoorziening. De Afdeling overweegt dat op grond van het proces-verbaal, waarin wordt gesteld dat de afvalzak op zodanige wijze in de vulopening van de container was geplaatst, dat deze de vulopening van de container blokkeerde, hoe dan ook niet kan worden geoordeeld dat voornoemde bepalingen zijn overtreden, nu deze geen betrekking hebben op de wijze waarop afvalstoffen via de inzamelvoorziening moeten worden aangeboden. Bij het bestreden besluit heeft het college dan ook ten onrechte het besluit van 11 april 2007 gehandhaafd onder de, ten opzichte van laatstgenoemd besluit gewijzigde, vermelding dat hij bevoegd was tot toepassing van bestuursdwang wegens overtreding van de artikelen 4.2.11, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV.

2.4.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar komt voor vernietiging in aanmerking.

2.5.    Gelet op de stukken en de door [appellant] ter zitting afgelegde verklaringen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat de betrokken afvalzak door toedoen van [appellant] de vulopening van de container heeft verstopt. Het college heeft [appellant] bij het besluit van 11 april 2007 dan ook ten onrechte als overtreder aangemerkt en heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellant] de kosten van de toepassing van bestuursdwang is verschuldigd. Het besluit van 11 april 2007 dient te worden herroepen. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 5 juli 2007, kenmerk AB.2007.2.03417/CP;

III.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 11 april 2007, kenmerk 24334269;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    gelast dat de gemeente Rotterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

271-433.