Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200703532/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor het verharden van een terrein op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703532/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/6568 van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 april 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude (hierna: het college) geweigerd aan [appellant] vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan voor het verharden van een terrein op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 juni 2006 heeft het college, onder aanpassing van de motivering, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2007, verzonden op 16 april 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief van 21 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 22 mei 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 juni 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende a] en [belanghebbende b], beiden wonend te [woonplaats], een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij brief van 22 augustus 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [belanghebbende b] en [appellant]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2007, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.J.M. Winkelhuizen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en het college, vertegenwoordigd door drs. J.E. van Rheen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het verzoek, zoals aangepast in de bezwaarfase, heeft betrekking op de verharding van het perceel ten behoeve van parkeerplaatsen en de aanleg van een tuin.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Woubrugge" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied, met landschappelijke waarde, openheid -Alo-".

   Ingevolge artikel 10, lid A onder 1, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven, met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, kassen agrarische bedrijfswoningen, ander bouwwerken, open erven en watergangen, alsmede voor het behoud en versterking van de aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke waarde, openheid.

   Ingevolge lid C I is ten aanzien van het gebruik van onbebouwde gronden het bepaalde in lid C I van artikel 6 van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge lid C III is met betrekking tot vrijstellingen ten aanzien van het gebruik het bepaalde in lid C III van artikel 6 van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 6, lid C I, is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming of in strijd met een gebruik, waarvoor ingevolge de bepalingen van dit plan vrijstelling is verleend.

   Ingevolge lid C III, onder 5, voor zover thans van belang, verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde in lid C I, indien strikte toepassing daarvan leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, dat niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik van het perceel als tuin in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De aanleg van een tuin op het perceel verdraagt zich niet met het behoud en de versterking van de aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke waarde, openheid, als bedoeld in artikel 10, lid A onder 1, van de planvoorschriften. Met de tuin worden weliswaar mogelijk landschappelijke waarden gediend, maar dat is niet de aan de gronden eigen zijnde landschappelijke waarde waarop de bestemming ziet. Bovendien ziet het vrijstellingsverzoek mede op het gebruik van het perceel als parkeerplaats, hetgeen eveneens in strijd is met de bestemming.

   De verwijzing door [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2006 in zaak no. 200502152/1 kan hem niet baten, omdat in die uitspraak een bestemming met andere landschappelijke waarden aan de orde was.

2.4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op goede gronden het verzoek om vrijstelling heeft afgewezen. Hiertoe voert hij aan dat het college, gelet op artikel 6, lid C III, onder 5, van de planvoorschriften, de gevraagde vrijstelling had moeten verlenen, nu het perceel te klein is om zinvol te worden gebruikt ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering. Voorts voert hij aan dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.4.1.    Dit betoog faalt eveneens. Het verlenen van vrijstelling met toepassing van de zogenaamde toverformule, welke is opgenomen in artikel 6, lid C III, onder 5, van de planvoorschriften, is volgens vaste jurisprudentie, onder andere de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2002 in zaak no. 200106377/1 (AB 2003, 402), alleen aangewezen indien een zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief gezien niet meer mogelijk is.

   Zoals het college in de beslissing op bezwaar heeft aangegeven, is een zinvol gebruik van het perceel ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering nog steeds mogelijk, nu het perceel als weidegrond of hooiland aan een agrarisch bedrijf kan worden verhuurd. Dat, naar het college in de beslissing op bezwaar heeft overwogen, dan geen sprake is van een agrarisch gebruik door een agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan, doet daar niet aan af, nu deze overweging aldus moet worden begrepen dat die slechts betrekking heeft op het gebruik als weidegrond of hooiland door [appellant]    zelf. De rechtbank is, door betekenis toe te kennen aan de mogelijkheid het perceel te verhuren, dan ook niet buiten de grenzen van het geschil getreden, zoals [appellant] betoogt. Gelet op het vorenstaande heeft het college de vrijstelling als bedoeld in artikel 6, lid C III onder 5, van de planvoorschriften terecht geweigerd en is derhalve het oordeel van de rechtbank op dit punt juist.

   Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het algemeen belang dat is gediend met het in stand houden van het landelijk karakter en de openheid van het veenweidegebied, waarvan het perceel deel uitmaakt, zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het gestelde incidenteel gebruik van het perceel als parkeerplaats, te meer nu in de nabijheid een openbare parkeerplaats aanwezig is en ten aanzien van het gebruik als tuin bij de heroverweging van het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ook is besloten geen tuinbestemming op het perceel te leggen. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de openheid van het landschap door het stellen van voorwaarden aan de gevraagde vrijstelling kan worden gewaarborgd, nu de landschappelijke waarde van het perceel reeds door het parkeren van voertuigen wordt aangetast. Evenmin kan [appellant] worden gevolgd in zijn betoog dat vrijstelling in de rede ligt, aangezien het perceel is gelegen aan de rand van het dorp en grotendeels grenst aan bestaande bebouwing, nu het college het landschap waarvan het perceel deel uitmaakt, aan de rand van het dorp wenst te handhaven. Ook het betoog van [appellant] dat het perceel kan worden opgeknapt door het bij zijn aangrenzende tuin te betrekken leidt niet tot een ander oordeel, nu het perceel ook kan worden opgeknapt onder de huidige bestemming.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

429-543.