Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0535

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200702255/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan Stichting Jong Nederland Someren-Heide (hierna: de stichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een blokhut op het perceel, plaatselijk bekend als Kerkendijk ongenummerd (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702255/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/194 en 06/171 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 januari 2007 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1],

2.    [wederpartij sub 2] en anderen,

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2005 heeft appellant (hierna: het college) aan Stichting Jong Nederland Someren-Heide (hierna: de stichting) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een blokhut op het perceel, plaatselijk bekend als Kerkendijk ongenummerd (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 november 2005 heeft het college de daartegen door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] en anderen (hierna: [wederpartijen]) gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.    

   

Bij uitspraak van 30 januari 2007, verzonden op 15 februari 2007, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 29 november 2005 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 29 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 april 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 mei 2007 heeft [wederpartij sub 1] van antwoord gediend.

Bij brief van 30 mei 2007 hebben [wederpartij sub 2] en anderen van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.P.P. Lucas, [wederpartij sub 1] in persoon, bijgestaan door mr. J.G. Janssen, [wederpartij sub 2] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en de stichting, vertegenwoordigd door J.G. van Stiphout en J.T.H. Dijstelblom, zijn verschenen.

Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in de oprichting van een blokhut van twee verdiepingen van 18 bij 18 m2 ten behoeve van de huisvesting van de stichting.

2.2.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 29 november 2005 niet zorgvuldig is voorbereid en evenmin deugdelijk is gemotiveerd, omdat niet is gebleken dat door het college is onderzocht of het door [belanghebbende] bij brief van 16 mei 2005 te koop aangeboden perceel een geschikte locatie zou kunnen zijn voor de bouw van de blokhut.

2.2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan

"Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en "Bijzondere doeleinden". Niet in geschil is dat het bouwplan met het bestemmingsplan in strijd is. Teneinde vergunningverlening mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.2.2.    Blijkens het Streekplan Noord-Brabant 2002 (hierna: het streekplan), voor zover thans van belang, is het perceel gelegen in de Groene hoofdstructuur, subzone overig bos- en natuurgebied. De daarbinnen gelegen gebieden moeten volgens dit streekplan worden beschermd tegen intensieve vormen van ruimtegebruik die in beginsel niet thuishoren in het buitengebied. Uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag is alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen en pas nadat een onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Groene hoofdstructuur-landschap.

2.2.3.    Het college heeft bij brief van 9 september 2004 het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten)  bericht dat de vestiging van de stichting op sportpark "De Plagge" bij nadere analyse niet tot de mogelijkheden behoort en dat vrijkomende agrarische bedrijven in de directe omgeving van het bosgebied bij Someren-Eind evenmin mogelijkheden bieden.

   Bij besluit van 21 december 2004 heeft gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar verleend ten behoeve van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Gedeputeerde staten zijn er daarbij van uitgegaan dat een alternatieve locatie als bedoeld in het streekplan niet voorhanden is. In de aan deze verklaring ten grondslag liggende overwegingen is in dit kader onder meer verwezen naar voormelde brief van het college van 9 september 2004.

2.2.4.    Het betoog van het college faalt. In het besluit van 29 november 2005 is wat alternatieve locaties betreft als bedoeld in het streekplan uitsluitend de motivering overgenomen van voormelde brief van 9 september 2004 van het college en is verwezen naar de verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten. Uit dit besluit blijkt niet dat door het college is onderzocht of het na de verlening van de verklaring van geen bezwaar, maar vóór het besluit tot verlening van vrijstelling, alsnog te koop aangeboden, aan voormeld sportpark De Plagge grenzende, perceel van [belanghebbende] een geschikte locatie zou kunnen zijn voor de huisvesting van de stichting. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat het op de weg van het college had gelegen om hiernaar nader onderzoek in te stellen alvorens op de bezwaren te beslissen. De rechtbank is derhalve op goede gronden tot de conclusie gekomen dat, nu van een dergelijk onderzoek niet is gebleken, het besluit van 29 november 2005 niet zorgvuldig is voorbereid en evenmin deugdelijk is gemotiveerd.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren tot vergoeding van bij [wederpartij sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 719,05 (zegge: zevenhonderdnegentien euro en vijf cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Someren aan [wederpartij sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Someren tot vergoeding van bij [wederpartij sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 718,65 (zegge: zevenhonderdachttien euro en vijfenzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Someren aan [wederpartij sub 2 en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren     w.g. Klein Nulent

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

218-530.