Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200707803/1 en 200707803/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rheden (hierna: het college) [appellant], onder aanzegging van een dwangsom, gelast voor 14 februari 2007 het buiten de woonschepenzone in de dode arm van de IJssel te De Steeg afgemeerde schip te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 99 met annotatie van D.E. Bunschoten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707803/1 en 200707803/2.

Datum uitspraak: 14 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], met postadres te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 07/2488 van de rechtbank Arnhem van 1 oktober 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Rheden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rheden (hierna: het college) [appellant], onder aanzegging van een dwangsom, gelast voor 14 februari 2007 het buiten de woonschepenzone in de dode arm van de IJssel te De Steeg afgemeerde schip te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 25 mei 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2007, heeft [appellant] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2007, waar [appellant], bijgestaan door zijn gemachtigde E.P. Blaauw, en het college, vertegenwoordigd door F. Veenhuizen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Ingevolge artikel 5.3.2, eerste lid, van de APV is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen buiten de door het college aangewezen zones van openbaar water.

   Ingevolge artikel 5.3.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV kan het college aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

   Ingevolge artikel 5.3.2, derde lid, van de APV geldt het verbod in het eerste lid niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

2.3.    Bij het besluit van 15 januari 2007, zoals gehandhaafd in bezwaar, is [appellant] gelast zijn vaartuig te verwijderen op de grond dat daarmee ligplaats wordt ingenomen in strijd met de APV en het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

2.4.    [appellant] voert aan dat het college ten onrechte overtreding van artikel 5.3.2 van de APV aan de opgelegde last ten grondslag heeft gelegd. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 11 mei 1982 waarbij het college op grond van de toenmalige APV een woonschepenzone heeft aangewezen (hierna: het aanwijzingsbesluit) zijn geldigheid heeft behouden, omdat de zone waar met een woonschip ligplaats mag worden ingenomen inmiddels door de gemeenteraad van Rheden is aangewezen in een bestemmingsplan. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat onder de huidige APV het college geen zones als bedoeld in artikel 5.3.2, eerste lid, van die regeling heeft aangewezen, zodat het verbod uit die bepaling niet kan worden toegepast.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Dat het aanwijzingsbesluit, dat door het college is genomen op grond van de APV, zou zijn vervallen door de opname van ligplaatsen voor woonschepen in een bestemmingsplan, dat op de Wet op de Ruimtelijke Ordening is gebaseerd, valt niet in te zien. Het betoog miskent dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarop een bestemmingsplan is gebaseerd, en de Gemeentewet, waarop de APV is gebaseerd, verschillende wetten zijn die naast elkaar bestaan. Een ingevolge de APV genomen besluit vervalt derhalve op grond van een ingevolge de - op de Gemeentewet gebaseerde - APV genomen besluit en niet op grond van een bestemmingsplan dat op de Wet op de Ruimtelijke Ordening is gebaseerd.

2.5.    Voorts betoogt [appellant] dat op zijn vaartuig het Binnenvaartpolitiereglement van toepassing is en dat daarom ingevolge artikel 5.3.2, derde lid, van de APV het verbod uit het eerste lid van dat artikel niet geldt.

2.5.1.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2004 in zaak nr. 200305663/1) blijkt uit de tekst van het derde lid van artikel 5.3.2 van de APV en met name uit de woorden voor zover dat niet het enkele gegeven dat het Binnenvaartpolitiereglement van toepassing is op een openbaar water bepalend is voor het antwoord op de vraag of het in het eerste lid vervatte verbod geldt, maar dat dit afhankelijk is van de reikwijdte van dat reglement. Blijkens artikel 1 van het Vaststellingsbesluit Binnenvaartpolitiereglement zijn de bepalingen in het Binnenvaartpolitiereglement vastgesteld ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk, die voor de scheepvaart openstaan. Blijkens de toelichting bij dat artikel is beoogd te voorzien in de ordening van alle scheepvaartverkeer op de binnenwateren en op zee en daartoe regels vast te stellen die nodig zijn ter bevordering van de veiligheid en de vlotheid van de vaart en die direct of indirect strekken ter voorkoming van gevaar voor schepen of de scheepvaart. Aan artikel 5.3.2. van de APV, dat is geplaatst in hoofdstuk 5, met het opschrift "Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente", liggen (ook) andere motieven,  ten grondslag, zoals blijkt uit het tweede lid van het artikel. De eventuele toepasselijkheid van het Binnenvaartpolitiereglement op het vaartuig van [appellant] laat de uit artikel 5.3.2. van de APV blijkende wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit een oogpunt van openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente dan ook onverlet. Het in het eerste lid van artikel 5.3.2. van de APV vervatte verbod behoudt dan ook in dit geval in zoverre betekenis. Het betoog faalt.

2.6.    De conclusie is dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat [appellant] zijn vaartuig in strijd met het bepaalde in artikel 5.3.2, eerste lid, van de APV heeft afgemeerd en dat het college bevoegd was op deze grond een last onder dwangsom op te leggen.

2.7.    [appellant] voert voorts aan dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het min of meer permanent ligplaats innemen met zijn vaartuig niet is aan te merken als verkeer te water en dat zijn vaartuig niet onder het overgangsrecht valt.

2.7.1.    Niet in geschil is dat op de locatie waar het vaartuig van [appellant] is afgemeerd ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan Rheden-Oost 1986 zowel de bestemming "water" als de bestemming "waterstaatsdoeleinden" rust. Ingevolge artikel 18 van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de voor waterstaatsdoeleinden bestemde gronden - voor zover hier van belang - bestemd voor "verkeer te water". Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het min of meer permanent ligplaats innemen niet is aan te merken als verkeer te water als bedoeld in deze bepaling. Een redelijke uitleg van "verkeer" in dit planologische voorschrift brengt, in aansluiting op het algemeen taalgebruik, mee dat hiermee het gebruiken van het water voor het maken van verkeersbewegingen wordt bedoeld. Dat [appellant] zijn vaartuig af en toe verplaatst in verband met zware wind is daarom onvoldoende om het gebruik dat hij van het water maakt als "verkeer te water" aan te merken. Met deze uitleg is bovendien in overeenstemming dat, zoals [appellant] ook zelf heeft gesteld, andere locaties dan die waar hij zijn vaartuig heeft afgemeerd in een bestemmingsplan uitdrukkelijk als ligplaats zijn bestemd.

   Volgens vaste jurisprudentie dient het overgangsrecht in een bestemmingsplan beperkt te worden uitgelegd omdat met het nieuwe plan strijdig gebruik in beginsel ongewenst is. Daarom kan [appellant] niet worden gevolgd in het betoog dat het overgangsrecht in dit geval geldt voor al het gebruik dat van het water in het hele gebied waarop het bestemmingsplan Rheden-Oost 1986 betrekking heeft, werd gemaakt voor de inwerkingtreding van dat plan, en dat daarom voor de toepasselijkheid van het overgangsrecht niet is vereist dat zijn vaartuig vanaf voor de inwerkingtreding van het plan steeds dezelfde locatie heeft ingenomen. Nu [appellant] voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat het vaartuig reeds voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ligplaats innam op de huidige locatie, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat geen sprake is van voortgezet gebruik als bedoeld in artikel 28 van de voorschriften van het bestemmingsplan. Ook dit betoog faalt.

2.8.    [appellant] betoogt tenslotte dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen.

2.8.1.    Ter staving van zijn betoog beroept [appellant] zich op een drietal vaartuigen/woonarken dat, net als zijn vaartuig, is afgemeerd buiten het in het bestemmingsplan aangewezen gebied. Dit beroep gaat echter reeds niet op omdat op die locatie, zoals ter zitting is komen vast te staan, een ander bestemmingsplan van toepassing is, zodat in zoverre geen sprake is van gelijke gevallen. Voorts heeft het college ter zitting toegelicht dat de betreffende locatie in het voorontwerp van een nieuw bestemmingsplan als ligplaats zal worden bestemd en dat deze locatie daarvoor, anders dan de locatie waar [appellant] ligplaats inneemt, geschikt wordt geacht omdat de bereikbaarheid van de locatie beter is, evenals de mogelijkheid om er nutsvoorzieningen aan te leggen. Nu het aan het college en uiteindelijk de gemeenteraad in beginsel vrij staat om een dergelijke beleidskeuze te maken, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat tegen de drie bedoelde vaartuigen/woonarken niet handhavend wordt opgetreden. Het betoog faalt.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak     w.g. Mathot

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2007

413.