Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200706674/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) bij onderscheiden besluiten - voor zover thans van belang - besloten de aanvragen van [verzoekster] om een omzettingsvergunning voor twintig panden niet in behandeling te nemen en haar onder aanzegging van een dwangsom gelast het illegale gebruik van deze panden ten behoeve van kamerverhuur uiterlijk 2 mei 2007 te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 84 met annotatie van A.T. Marseille
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706674/2.

Datum uitspraak: 14 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 07/1470 en 07/1471 e.v. van de rechtbank Utrecht van 28 augustus 2007 in het geding tussen:

verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) bij onderscheiden besluiten - voor zover thans van belang - besloten de aanvragen van [verzoekster] om een omzettingsvergunning voor twintig panden niet in behandeling te nemen en haar onder aanzegging van een dwangsom gelast het illegale gebruik van deze panden ten behoeve van kamerverhuur uiterlijk 2 mei 2007 te staken en gestaakt te houden.

Bij onderscheiden besluiten van 24 mei 2007 heeft het college - voor zover thans van belang - de door [verzoekster] tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvragen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en haar bezwaren tegen de lasten onder dwangsom ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot vier weken na de verzending van deze besluiten op bezwaar.

Bij uitspraak van 28 augustus 2007, verzonden op 29 augustus 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) - voor zover thans van belang - het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden besluiten op bezwaar vernietigd, zelf voorzien in de zaken voor zover deze betrekking hebben op de buitenbehandelingstelling van de aanvragen, de bezwaren daartegen alsnog gegrond verklaard, bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten, het college opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren te nemen en de besluiten van 7 maart 2007 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de nieuwe besluiten op bezwaar.

Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 oktober 2007.

Bij besluit van 21 september 2007, verzonden op 3 oktober 2007, heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslissend op de door [verzoekster] gemaakte bezwaren de bestreden besluiten betreffende de dwangsomaanschrijving inzake illegaal gebruik als kamerverhuurbedrijf in stand gelaten onder verlenging van de begunstigingstermijn tot twintig weken na de verzending van dit besluit op bezwaar.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brief is aangehecht.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2007, waar verzoekster, bijgestaan door mr. D. de Jong, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Boender-Wiebenga, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Hetgeen [verzoekster] aanvoert in haar hoger beroepschrift, onder meer dat de rechtbank de artikelen 1:3, vierde lid, en 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onjuist heeft uitgelegd dan wel toegepast en dat het op 25 januari 2007 genomen besluit tot wijziging van het daarvoor geldende beleid rechtens onjuist zou zijn, leent zich minder goed voor beoordeling in deze procedure. De beoordeling daarvan kan beter in de bodemprocedure geschieden. Ten aanzien van de vraag of in afwachting daarvan aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, wordt als volgt overwogen.

2.2.    [verzoekster] heeft de Voorzitter verzocht de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 7 maart 2007, met de aangepaste begunstigingstermijn zoals opgenomen in het besluit van 21 september 2007, met ingang van de aanvang van die termijn te schorsen.

2.3.    [verzoekster] heeft een groot belang bij het kunnen afwachten van de uitspraak in de bodemprocedure alvorens de begunstigingstermijn verloopt. Zij zal na afloop van de begunstigingstermijn immers ofwel een groot bedrag aan dwangsommen verbeuren, ofwel twintig woningen - waarin ongeveer honderd studenten wonen - moeten ontruimen, hetgeen eveneens hoge kosten met zich zal brengen en wellicht van negatieve invloed zal zijn op de waarde van haar panden. Daarentegen heeft het college weliswaar belang bij handhaving, maar van bijzondere belangen op grond waarvan de behandeling van de bodemzaak niet kan worden afgewacht, is de Voorzitter niet gebleken, waarbij mede het volgende in aanmerking wordt genomen. De Voorzitter zal bevorderen dat de behandeling van de bodemzaak in de maand februari 2008, dus omstreeks de datum waarop de door het college in het besluit van 21 september 2007 opgenomen begunstigingstermijn afloopt, zal plaatsvinden, zodat de periode tussen het einde van de door het college al bepaalde begunstigingstermijn en de datum waarop de uitspraak in de bodemprocedure kan worden verwacht relatief kort is. De Voorzitter ziet daarom aanleiding ter overbrugging van die korte periode bij afweging van de betrokken belangen een voorlopige voorziening te treffen. Voor een schorsing van het besluit van 21 september 2007 met terugwerkend kracht zoals verzoekster heeft gevraagd, is echter geen plaats. De begunstigingstermijn van twintig weken vanaf 3 oktober 2007 is immers een ruime termijn, waarvan ook bij een tussentijdse schorsing met ingang van de datum van deze uitspraak nog een groot deel resteert. Die resterende termijn biedt [verzoekster] naar het oordeel van de Voorzitter voldoende ruimte om zonodig aan de opgelegde last te voldoen, in aanmerking genomen dat zij gelet op de uitspraak van de rechtbank er ook nu al rekening mee moet houden dat de bodemprocedure een voor haar negatieve uitkomst kan hebben. Bovendien heeft het college er ter zitting niet ten onrechte op gewezen, dat [verzoekster] pas op 16 november 2007, dus ruim zes weken na aanvang van de begunstigingstermijn, verzocht heeft een voorlopige voorziening te treffen. De door haar daarvoor aangevoerde redenen van financiële aard dienen voor haar eigen rekening en risico te blijven.

2.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de besluiten van 7 maart 2007, zoals gehandhaafd bij besluit van 21 september 2007, te schorsen. Dit brengt mee dat de in laatstgenoemd besluit opgenomen begunstigingstermijn van twintig weken vanaf 3 oktober 2007, waarvan inmiddels meer dan de helft is verstreken, wordt gestuit met ingang van heden. Indien de uitspraak in de hoofdzaak niet leidt tot vernietiging van het besluit van 21 september 2007, betekent het voorgaande dat de begunstigingstermijn van twintig weken daarna opnieuw begint te lopen en daarvan dan nog iets minder dan de helft resteert.

2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 21 september 2007, kenmerk B07.3341, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 7 maart 2007, kenmerk WT2070731;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,33 (zegge: zeshonderdzesenzestig euro en drieëndertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Utrecht aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Utrecht aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak     w.g. Mathot

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2007

413.