Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0520

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200702371/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 1 juli 2004 hebben de raad der gemeente Beemster (hierna: de gemeenteraad) en het college van burgemeester en wethouders van Beemster (hierna: het college) geweigerd appellant respectievelijk vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een woning, een berging, een kantine en een stal/schuur op het perceel plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats], gemeente Beemster (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702371/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaak no. 06/4070 van de rechtbank Haarlem van 16 februari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

1. de raad van de gemeente Beemster,

2. het college van burgemeester en wethouders van Beemster.

1.    Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 1 juli 2004 hebben de raad der gemeente Beemster (hierna: de gemeenteraad) en het college van burgemeester en wethouders van Beemster (hierna: het college) geweigerd appellant respectievelijk vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een woning, een berging, een kantine en een stal/schuur op het perceel plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats], gemeente Beemster (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 10 februari 2005 en 14 februari 2005 hebben de gemeenteraad en het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2005, no. 04/1928, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij afzonderlijke besluiten van 2 maart 2006 en 7 maart 2006 hebben de gemeenteraad en het college de bezwaren van appellant opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2007, verzonden op 22 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 juni 2007 hebben de gemeenteraad en het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, en de gemeenteraad en het college, vertegenwoordigd door H.K. Pieters en mr. M.H. van der Weit, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww) voor zover van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien:

   c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1994" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden".

2.2.1.    Ingevolge artikel 1, onder q, van de planvoorschriften wordt onder "Agrarische bedrijven" verstaan: ondernemingen waar door toevoeging van arbeid en andere productiemiddelen plantaardige en/of dierlijke productie plaatsvindt, mits geheel of grotendeels niet gebonden aan de grond als productiemiddel.

   Ingevolge de "Bestemmingsomschrijving" in artikel 6, eerste lid, zijn, voor zover van belang, de op de kaart voor "Agrarische doeleinden" aangewezen gronden, bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met de daarbij behorende bouwwerken.

   In de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 6, tweede lid, is de wijze waarop met het plan de toegekende doelen zullen worden nagestreefd ten aanzien van de volwaardigheid van agrarische bedrijven uiteengezet. Volgens deze beschrijving is het beleid erop gericht agrarische bedrijfsactiviteiten uitsluitend voor volwaardig agrarische bedrijven mogelijk te maken. Daarbij moet vaststaan dat het agrarische bedrijf, in ieder geval op afzienbare termijn, een substantieel aandeel levert in iemands inkomensvorming. Voor de beoordeling van de volwaardigheid kan het advies van een deskundige instantie gewenst of nodig zijn.

2.3.    Het bouwplan voorziet in het bouwen van een woning, een berging, een kantine en een stal/schuur op het perceel. Appellant is voornemens op het perceel een veehouderij te realiseren. De door appellant te realiseren veehouderij betreft een bedrijfsmatige agrarische activiteit.

2.4.    De gemeenteraad heeft geweigerd vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan omdat er, gelet op de adviezen van de Stichting Agrarische beoordelingscommissie (hierna: Stichting ABC) van 24 juli 2003 en 25 november 2005, geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften de eis van de volwaardigheid van een agrarisch bedrijf niet stelt. De in het tweede lid gegeven beschrijving in hoofdlijnen bevat zijns inziens een ongeoorloofde beperking van de bestemmingsomschrijving in het eerste lid. Bovendien heeft de rechtbank niet onderkend dat de beschrijving in hoofdlijnen een open einde kent en onvoldoende concreet is om als toetsingskader te kunnen dienen.

2.6.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro1985) bevat een bestemmingsplan een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop de doeleinden van het bestemmingsplan worden gerealiseerd. Mits duidelijk en concreet geformuleerd kan een beschrijving in hoofdlijnen in beginsel dienen als aanvullend toetsingskader voor een bouwaanvraag. De in het tweede lid van artikel 6 van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen bevat een instructie inzake het gemeentelijke beleid ten aanzien van agrarische bedrijven. Van een beperking van de bestemming is reeds daarom geen sprake. De beschrijving in hoofdlijnen bevat een uitgebreide omschrijving van het begrip volwaardig agrarisch bedrijf. Daarbij geeft de beschrijving in hoofdlijnen een niet uitputtende opsomming van situaties waarin van een volwaardig agrarisch bedrijf sprake kan zijn, maar nu moet vaststaan dat het agrarische bedrijf in ieder geval op afzienbare termijn, een substantieel aandeel levert in iemands inkomensvorming, is een voldoende bepaald criterium gegeven om als toetsingskader voor de beoordeling van bouwaanvragen te kunnen dienen. Het betoog faalt.

2.7.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat niet is vast komen te staan dat het agrarische bedrijf in ieder geval op afzienbare termijn, een substantieel aandeel levert in het inkomen van appellant. In dit verband heeft appellant het onaanvaardbaar geacht dat de gemeenteraad en het college de adviezen van de Stichting ABC aan de besluiten ten grondslag hebben gelegd.

2.8.    Ook dit betoog faalt. De stichting ABC heeft op verzoek van het college op 24 juli 2003 gerapporteerd en op 25 november 2005 een aanvullend advies uitgebracht. In zijn rapportage van 25 november 2005 is de Stichting ABC tot de conclusie gekomen dat zij bij haar eerdere oordeel blijft dat appellant niet het hoofdberoep zal vinden in de op te richten veehouderij. De bedrijfsopzet van de nieuw op te richten veehouderij dient volgens de Stichting ABC beoordeeld te worden als een agrarisch bedrijf bij wijze van deeltijd waarbij het perspectief op volwaardigheid ontbreekt.

2.8.1.    In beginsel mocht het college afgaan op het advies van de Stichting ABC, tenzij zou blijken dat dit advies naar inhoud en wijze van totstandkoming gebrekkig zou zijn. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Het in dit verband ingebrachte rapport van Agrovisie Adviesbureau van 1 september 2004, is met de reactie van de Stichting ABC dat gezien de beoogde veestapel uitgroei naar volwaardigheid in onderhavige situatie niet realistisch is, voldoende gemotiveerd weerlegd. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de Stichting ABC ook heeft beoordeeld of de veehouderij afzonderlijk en los van de rest van de bedrijfsvoering bezien, een substantieel aandeel levert in het inkomen van appellant. In het licht van de daaruit voortvloeiende conclusie dat voor de veehouderij afzonderlijk perspectief op volwaardigheid ontbreekt, is de omstandigheid dat de beoogde veehouderij slechts een onderdeel van de totale bedrijfsvoering is, niet van betekenis. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat de gemeenteraad dan wel het college de advisering van de Stichting ABC niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

17-567.