Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0514

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200701544/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel het bestemmingsplan "Vogelenzang 2004" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:16
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2008, 46 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
JB 2008/29
JOM 2008/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701544/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Zaltbommel het bestemmingsplan "Vogelenzang 2004" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 januari 2007, nr. 2006-014971, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 1 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2007, [appellant sub 2] bij brief van 27 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2007, en [appellant sub 3] bij brief van 28 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 juni 2007 heeft de gemeenteraad een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 11 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van [appellant sub 1]. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 3]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2007, waar [appellant sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. W.G. Tideman, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, [appellant sub 3] in persoon, verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar bij de provincie, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door F.H.P. Mellink, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord [partij], gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door A. Bos.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in de ontwikkeling van een inbreidingslocatie voor woningbouw in de binnenstad van Zaltbommel. Het plangebied is gesitueerd in de zuidoostelijke hoek van de historische binnenstad en grenst aan de stadswallen van Zaltbommel. Het omvat het voormalige terrein van bejaardencentrum de Wielewaal en het terrein van de bejaardenflat aan de Agnietenstraat. Verweerder heeft het plan goedgekeurd omdat hij geen reden heeft gezien het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Appellanten wonen aan de Agnietenstraat, de Jan Steenlaan respectievelijk aan de Vogelenzang in of in de directe nabijheid van het plangebied. Volgens appellanten heeft verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan verleend.

2.2.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3.    [appellant sub 2] betoogt dat verweerder niet alle ingediende bedenkingen heeft behandeld en dat zij niet in de gelegenheid is gesteld kennis te nemen van de in de plantoelichting genoemde parkeer- en verkeersonderzoeken hoewel zij herhaaldelijk, ook schriftelijk, om inzage van die stukken heeft verzocht.

2.3.1.    De Afdeling overweegt allereerst dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een bedenking afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Dit onderdeel van het betoog treft derhalve geen doel.

2.3.2.    In de plantoelichting zijn enkele resultaten en conclusies weergegeven van verkeers- en parkeeronderzoeken in onder meer het plangebied. Zo staat op pagina 31 van de plantoelichting dat de verkeersintensiteiten op de wegen in het plangebied niet afzonderlijk zijn gemeten, maar dat uit andere onderzoeken valt af te leiden dat de capaciteit van de desbetreffende straten voldoende is voor de afwikkeling van het extra verkeer dat de bebouwing van het plangebied met zich zal brengen. Bij de planning van de parkeercapaciteit van de parkeerkelders en de parkeerplaatsen in het plangebied is blijkens de plantoelichting gerekend met een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning. Ter zitting heeft de gemeenteraad aangegeven dat deze parkeernorm op basis van parkeeronderzoek is vastgesteld. Volgens de gemeenteraad heeft zowel het verkeers- als het parkeeronderzoek voor een groter gebied dan alleen het plangebied plaatsgevonden. [appellant sub 2] heeft aannemelijk gemaakt dat deze verkeers- en parkeeronderzoeken niet met het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage hebben gelegen en evenmin, ondanks een daartoe strekkend verzoek, door geïnteresseerden konden worden ingezien.

2.3.3.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, wordt het ontwerpbestemmingsplan, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp, gedurende zes weken ter inzage gelegd.

   Ingevolge artikel 26 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt ook het vastgestelde bestemmingsplan voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. De bestemmingsplanprocedure wordt gekenmerkt door een getrapt stelsel, waarbij het inbrengen van zienswijzen en bedenkingen in beginsel een vereiste is om beroep in te kunnen stellen. Teneinde de betrokkene in staat te stellen om tegen het plan, zoals dat door de gemeenteraad is vastgesteld, gemotiveerd bedenkingen bij verweerder te kunnen inbrengen, is vereist dat niet alleen het plan ter inzage wordt gelegd, doch tevens de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het vastgestelde plan.

2.3.4.    De verkeers- en parkeeronderzoeken zijn onmiskenbaar op het plan betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het vastgestelde plan en hadden derhalve met het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage moeten worden gelegd. Met een samenvatting van deze stukken in de plantoelichting is niet aan deze verplichting voldaan, nu belanghebbenden in staat moeten worden gesteld zichzelf een oordeel te vormen over de informatie vervat in deze stukken en zij er niet op behoeven te vertrouwen dat de in de plantoelichting opgenomen resultaten en conclusies alle relevante informatie bevatten. Nu de parkeer- en verkeersonderzoeken niet ter inzage zijn gelegd, is gehandeld in strijd met artikel 26 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond.

2.3.5.    Gelet op de samenhang tussen hetgeen [appellant sub 2] verder heeft aangevoerd ten aanzien van de parkeer- en verkeersonderzoeken behoeven deze gronden hier verder geen bespreking. Het beroep van J.M. van [appellant sub 3] is ook gericht tegen de parkeervoorzieningen in het plan en de spreiding van het verkeer in het plangebied. Gelet op het vorenstaande is dit beroep eveneens gegrond en behoeven de inhoudelijke argumenten die hij ter zake heeft aangevoerd thans evenmin verdere bespreking. De Afdeling ziet wel aanleiding nader in te gaan op de overige bezwaren van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

2.4.    [appellant sub 1] voert aan dat verweerder heeft miskend dat de gestelde termijn van twee weken voor de terinzagelegging bij vrijstellingsprocedures, zoals neergelegd in artikel 10 van de planvoorschriften, te kort is.

2.4.1.    Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften wordt alvorens burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen op grond van de voorschriften van dit plan de procedure gevolgd zoals beschreven in Afdeling 3.4 van de Awb, met dien verstande dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 3:16, eerste lid, van die wet, de periode van terinzagelegging twee weken duurt.

   Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb - voor zover thans van belang - bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van onder meer zienswijzen zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.

2.4.2.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het mogelijk is om de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing te verklaren, onder afwijking van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb genoemde termijn. Verweerder stelt dat met een ter visie legging van twee weken volstaan kan worden.

2.4.3.    In artikel 10 van de planvoorschriften is op de te volgen procedure bij verlening van vrijstelling op grond van de voorschriften van dit plan, de in afdeling 3.4 van de Awb neergelegde uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing verklaard, met dien verstande dat in afwijking van de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van zes weken een termijn van twee weken is vastgesteld. Artikel 3:16 van de Awb biedt evenwel uitsluitend de mogelijkheid een langere indieningstermijn vast te stellen. Voorts valt geen bepaling uit een formele wet aan te wijzen waarin is bepaald dat in een geval als het onderhavige in afwijking van artikel 3:16, eerste lid, van de Awb ook een kortere termijn dan zes weken kan worden vastgesteld. De gemeenteraad en verweerder hebben een en ander miskend. Door de kortere termijn in artikel 10 van de planvoorschriften niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met bovenstaand artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond.  

2.5.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de in het plan toegestane bouwhoogte van de beoogde nieuwbouw te hoog is en afbreuk doet aan het gebied. [appellant sub 1] vreest dat door de beoogde hoogte van de bouwwerken het zicht op de St. Maartenskerk volledig wordt weggenomen. [appellant sub 2] acht een hoogte van maximaal 8 meter toegestaan gelet op de bestaande aan het plangebied grenzende bebouwing. Zij is van mening dat het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg dienaangaande niet objectief en deskundig is, nu de Rijksdienst voorheen negatief was over de hoogte van de bebouwing in het plangebied. Ook vreest zij voor verlies van privacy, minder lichtinval in haar woning en verslechtering van de luchtkwaliteit.

2.5.1.    Het plangebied ligt in de zuidoostelijke hoek van de historische kern van Zaltbommel en wordt begrensd door de Agnietenstraat en de Vogelenzang en het water aan de zuidzijde. Blijkens de plankaart en artikel 4 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kent het plan de bestemming "Woondoeleinden", waarin de bebouwingsklassen W(a)-aaneengesloten, dubbel en vrijstaand, W(b) - gestapeld en W(c) - gestapeld zijn toegestaan, met een bouwhoogte variërend van 10 meter tot ongeveer 15,5 meter. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft zich op het standpunt gesteld dat met het plan op een zeer acceptabele wijze is uitgegaan van de uitgangspunten van het beschermd stadsgezicht. Niet is gebleken dat dit advies niet objectief of ondeskundig is gegeven.

   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de bouwhoogten vanuit ruimtelijk oogpunt niet onaanvaardbaar vindt. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de stedenbouwkundige opzet van het bestemmingsplan variërende bouwhoogten kent. Langs de straten bestaat de bebouwing in hoofdzaak uit twee bouwlagen met een kap. Alleen de straatbebouwing van de hof Vogelenzang/Agnietenstraat kent een extra hoge begane grondlaag omdat de bebouwing hier gedeeltelijk op de parkeergarage is gesitueerd. Op de hoek van de Agnietenstraat en de Vogelenzang heeft de bebouwing een extra accent gekregen. Volgens verweerder is het ruimtelijk straatbeeld dat hierdoor ontstaat sterk verwant aan hetgeen op vele plaatsen in de binnenstad van Zaltbommel wordt aangetroffen. Aan de groene zijden van de hoven zijn twee appartementengebouwen geprojecteerd met vier verdiepingen, waarvan de vierde in de kap is ondergebracht. Extra hoogte ontstaat hier omdat de bebouwing op de half verdiepte parkeergarages is gesitueerd.

   In aanmerking genomen de ligging in stedelijk gebied, de omstandigheid dat het vigerend plan reeds ter plaatse bebouwing toestaat variërend van 10,5 meter tot 16,75 meter en de omstandigheid dat de hogere appartementsgebouwen worden gerealiseerd grenzend aan de groene ruimte binnen het plan, overgaand in de brede zone van de vestingwal, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegelaten bouwhoogte van 15,5 meter in de ruimtelijke structuur van de omgeving past. De betogen van appellanten falen in zoverre.

2.5.2.    Ten aanzien van de vrees van [appellant sub 1] dat door de beoogde bebouwing de St. Maartenskerk volledig aan het zicht wordt onttrokken, overweegt de Afdeling dat uit de plankaart en de voorschriften blijkt dat de hoogte van het hoogste gebouw maximaal 15,5 meter zal zijn. Nu voorts uit de stukken blijkt dat het koor van de Sint Maartenskerk ongeveer 26 meter hoog is, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat van ernstige verstoring van de zichtlijnen op de kerk door de beoogde bebouwing geen sprake is. De omstandigheid dat ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften de hoogte van een gebouw wordt gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van de aan het gebouw of ander bouwwerk aansluitende grond, maakt dit niet anders. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat voor het afgraven en ophogen van de gronden een aanlegvergunning vereist is, die eerst verleend kan worden na advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de betreffende provinciale dienst. Het betoog van [appellant sub 1] faalt.

2.5.3.    Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op haar verzoek om de 10% vrijstelling niet te laten gelden voor de goot- en totale hoogte van het plangebied, overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad in redelijkheid heeft aangegeven dat het wenselijk is om vrijstelling van 10% te kunnen verlenen van de in de planvoorschriften opgenomen minimale en maximale eisen en dat deze vrijstellingsmogelijkheid slechts geldt voor zeer geringe afwijkingen, nu het schrappen van deze mogelijkheid zou betekenen dat voor een geringe afwijking van maatvoering een onevenredig zware planologische procedure gevolgd zou moeten worden. Ook dit betoog van [appellant sub 1] faalt derhalve.

2.5.4.    Nu ter plaatse van de nieuwe woningen in het plangebied ook thans reeds woningen staan, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat van onaanvaardbare aantasting van [appellant sub 2] privacy geen sprake is.

2.5.5.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat verweerder heeft miskend dat verwezenlijking van het plan de luchtkwaliteit verder zal aantasten, overweegt de Afdeling dat appellante haar beroep op dit punt ter zitting heeft ingetrokken, zodat dit niet meer aan de orde behoeft te komen.

2.6.    [appellant sub 1] is van mening dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen, nu verwezenlijking van het plan de sloop van haar huurwoning betekent. Daartoe voert zij aan dat zij voor dezelfde huurprijs nooit een vergelijkbare woning kan huren. Bovendien bestaat er volgens haar geen noodzaak tot sloop, nu de woning nog in goede staat is. Haar woning, die een karakteristiek stuk Zaltbommel is en waaraan de aanduiding "beschermd stadsgezicht" is toegekend, past in de ruimtelijke voorwaarden die de gemeenteraad aan het gebied stelt in het onderhavige plan, aldus [appellant sub 1].

2.6.1.    De gemeenteraad heeft gesteld dat de eengezinswoningen in de Agnietenstraat nog in redelijk bouwkundige staat zijn, en dat sloop in die zin niet strikt noodzakelijk is. Met het slopen wordt het echter mogelijk om stedenbouwkundig gezien een meer samenhangend woningbouwproject te kunnen realiseren. Voorts stelt de gemeenteraad dat nieuwbouw van woningen op deze hoeklocatie een duidelijke kwaliteitsverbetering voor de omgeving als geheel betekent. Uit de stukken, waaronder de reactie van de gemeenteraad van 5 juni 2007, blijkt dat de verhuurder van de woning van [appellant sub 1], Woonlinie, erkent dat de sloop van de woning ingrijpend is. Woonlinie heeft aangegeven dat de bewoners van de te slopen woningen kunnen verhuizen naar een nieuw te bouwen woning binnen het plangebied en indien zij te kennen geven van dat aanbod geen gebruik te willen maken, in aanmerking kunnen komen voor een andere woning in Zaltbommel. Om dit mogelijk te maken zijn deze bewoners in oktober 2004 als urgent woningzoekenden aangewezen. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat uit de stukken blijkt dat het verschil in de oude en de nieuwe huur in de vorm van huurgewenning in 3 jaar overbrugd zal worden, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling voldoende rekening gehouden met de belangen van appellante, zodat haar betoog faalt.

2.6.2.    Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat het slopen van de woningen in strijd is met de aanwijzing als beschermd stadgezicht, overweegt de Afdeling dat blijkens hoofdstuk 1.4 van de plantoelichting de binnenstad van Zaltbommel, waaronder ook het onderhavige plangebied, in 1984 als beschermd stadsgezicht is aangewezen. Blijkens de plantoelichting is het doel van de aanwijzing als beschermd stadsgezicht het onderkennen van de karakteristieke en met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteiten van het gebied als een zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied. Nu na de sloop van de bestaande woningen de nieuw te bouwen woningen opnieuw in de gevelrooilijn worden gebouwd, zodat de middeleeuwse stadsstructuur behouden blijft, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat van strijd met de status van beschermd stadgezicht geen sprake is. Daarbij heeft hij met juistheid in aanmerking genomen dat de aanwijzing als beschermd stadsgezicht het centrale uitgangspunt is van het plan en de gemeenteraad zorgvuldig is omgegaan met de historische karakteristieken van de plek. Het betoog van appellanten faalt derhalve.

2.7.    Voorts heeft [appellant sub 1] twijfels bij de financiële haalbaarheid van het plan.

In hoofdstuk 9 van de plantoelichting staat met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid:

   "De plankosten zullen grotendeels worden gedragen door de particuliere initiatiefnemer en door de woningstichting "Woonlinie" in Zaltbommel. De gemeente levert een bijdrage in het kader van de herinrichting van de woonomgeving en de provincie Gelderland ten slotte draagt bij aan het project voor zover in het project rekening gehouden wordt met cultuurhistorische waarden. Het grootste deel van de kosten van het project wordt derhalve niet door de gemeente gedragen. De economische uitvoerbaarheid is niet in het geding. Een nadere toelichting van de economische uitvoerbaarheid wordt separaat toegevoegd."

2.7.1.    Gelet op het voorgaande is onderzoek gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De plantoelichting geeft voldoende duidelijk inzicht in de uitkomsten van dat onderzoek. Hetgeen [appellant sub 1] in dit kader naar voren heeft gebracht leidt niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de financiële uitvoerbaarheid niet behoeft te worden getwijfeld, zodat het betoog faalt.

2.8.    De conclusie is dat de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] geheel gegrond zijn en het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Uit overweging 2.4.3. volgt dat ten aanzien van het desbetreffende onderdeel van het plan rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is. De Afdeling ziet derhalve aanleiding om goedkeuring te onthouden aan de zinsnede "met dien verstande dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 3:16, eerste lid, van die wet, de periode van terinzagelegging twee weken duurt" in artikel 10 van de planvoorschriften. Voor het overige is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

2.9.    Verweerder dient ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 3] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] geheel en het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 23 januari 2007, kenmerk 2006-014971;

III.    onthoudt goedkeuring aan de zinsnede "met dien verstande dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 3:16, eerste lid, van die wet, de periode van terinzagelegging twee weken duurt" in artikel 10 van de planvoorschriften;

IV.    bepaalt dat onderdeel III van deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellant sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan [appellant sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 1], € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 2] en € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Egmond, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto            w.g. Egmond

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

426.