Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0513

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200607922/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Alkmaar, het bestemmingsplan "Schelphoek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607922/1.

Datum uitspraak: 19 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2006 heeft de gemeenteraad van Alkmaar, het bestemmingsplan "Schelphoek" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 september 2006, kenmerk 2006-43671, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 29 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2006, en [appellant sub 2] bij brief ingekomen bij de Raad van State op 31 oktober 2006, beroep ingesteld.

Bij brieven van 25 januari 2007 en 26 juli 2007 heeft verweerder verweerschriften ingediend.

Bij brief van 20 april 2007 heeft de commanditaire vennootschap "De Eendragt C.V.", die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 7 mei 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ingekomen van het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ingekomen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2007, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2], in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K.J.T.M. Hehenkamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Alkmaar, vertegenwoordigd door M.D.W. van Loenhout, ambtenaar van de gemeente, en de commanditaire vennootschap "De-Eendragt C.V.", vertegenwoordigd door ing. P.G.M Lammers.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2.    [appellant sub 1] voert aan dat ten onrechte de aanduiding "gebied als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet op de ruimtelijke ordening" op zijn perceel is gelegd. In dit verband voert appellant aan dat hij ten onrechte geen kennisgeving als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de WRO heeft ontvangen.

2.2.1.    Ingevolge artikel 23, tweede lid, van de WRO, voor zover te dezen van belang, geschiedt, indien gronden in het ontwerp van een bestemmingsplan ingevolge artikel 13, eerste lid, van de WRO worden aangewezen ten aanzien waarvan de verwerkelijking van het plan in de naaste toekomst nodig wordt geacht, daarvan afzonderlijke kennisgeving aan diegenen die in de kadastrale registratie staan vermeld als eigenaar van die gronden.

2.2.2.    [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel [locatie 1]. Het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar heeft in de reactie op het beroepschrift erkend dat een kennisgeving als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de WRO abusievelijk niet naar het woonadres van [appellant sub 1] is gestuurd, maar naar het pand [locatie 1]. Door aldus te handelen heeft de gemeenteraad gehandeld in strijd met dit artikel. Gelet hierop had verweerder goedkeuring moeten onthouden aan de aanduiding "gebied als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet op de ruimtelijke ordening" ter plaatse van het perceel [locatie 1]. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder in zoverre gehandeld in strijd met artikel 23, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

   Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de aanduiding "gebied als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet op de ruimtelijke ordening" ter plaatse van het perceel [locatie 1]".

2.3.    [appellant sub 2] voert aan dat op de plankaart bij de bouwvlakken B1, B2 en C ten onrechte steeds slechts één maximale bouwhoogte is aangegeven. Volgens appellante komt hierdoor ten onrechte niet het streven tot uitdrukking om het gebied te kenmerken door een mix aan bouwvolumes.

2.3.1.    Deze beroepsgrond steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die appellante in een tegen het vastgestelde plan bij verweerder ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

   Het beroep is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4.    [appellant sub 2] voert aan dat verweerder haar bedenkingen tegen de hoogte van het zogenoemde havengebouw waarin het plan voorziet, ten onrechte onbehandeld heeft gelaten. Appellante voert tevens aan dat verweerder zich geen eigen oordeel heeft gevormd met betrekking tot haar bedenkingen, maar heeft volstaan te verwijzen naar het standpunt van de gemeenteraad. Voorts heeft verweerder volgens appellante ten onrechte niet gemotiveerd waarom van het advies van de Provinciale Planologische Commissie (hierna: PPC) is afgeweken.

   Appellante voert aan dat het beschermd stadsgezicht wordt aangetast door de omvang en hoogte van het met het plan mogelijk gemaakte havengebouw, waardoor de historische bebouwing aan de Voormeer wordt losgesneden van de historische Zoutketen, het Accijnstorentje en de gevelwand van de Bierkade, waarmee de Voormeer volgens haar een eenheid vormt die onderdeel is van het beschermd stadsgezicht.

2.4.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat verweerder de bezwaren van appellante samengevat weergeeft noch dat verweerder ter motivering van zijn standpunt verwijst naar het standpunt van de gemeenteraad over de ingebrachte zienswijzen. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd.

2.4.2.    [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2]. Op de plankaart is, ten noordwesten van haar woning op een afstand van 12 meter van haar zijgevel op het plandeel met de bestemming "W1", een bouwblok opgenomen met een breedte langs de Voormeer van ongeveer 40 meter en aan de achterzijde van ongeveer 25 meter en een diepte vanaf de Voormeer tot aan de achterzijde van ongeveer 65 meter. De maximale bouwhoogte bedraagt blijkens de aanduiding 22 meter. Ten westen van dit bouwvlak ligt op ongeveer 15 meter de Turfmarkt.

   Ingevolge artikel 4, derde lid, onder a, onder 3, voor zover thans van belang, mogen bouwvlakken voor 100% worden bebouwd met dien verstande dat van de tweede bouwlaag en hoger ten hoogste 80% van het bouwvlak mag worden bebouwd.

2.4.3.    De westzijde van het plangebied, waarin de Turfmarkt ligt, behoort gedeeltelijk tot het gebied dat ingevolge artikel 20 van de Monumentenwet is aangewezen als beschermd stadsgezicht. De grens van het gebied dat als beschermd stadsgezicht is aangewezen loopt ongeveer over het midden van het in het plan voorziene havengebouw van noordoostelijke in zuidwestelijke richting.

   In de toelichting bij de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is vermeld dat de sterke karakterverandering van de vroegere eilanden aan de oostrand van de oude stad en het daar voor een groot deel vervallen van de parkgordel en de singel als samenbindende elementen de belangrijkste motieven vormen om dit gebied, met uitzondering van de Turfmarkt niet bij de aanwijzing te betrekken. Voorts is daarin vermeld dat de relatie van de oude stad met de omgeving zeker niet zonder betekenis is, maar niet van zodanig belang wordt geacht, dat delen van de omgeving bij het aanwijzingsvoorstel betrokken zouden moeten worden.

2.4.4.    De Afdeling stelt vast dat de monumentale bebouwing aan de Voormeer ten oosten van het in het plan voorziene havengebouw niet binnen het gebied ligt dat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Gelet hierop mist de stelling van appellanten dat die bebouwing tezamen met de historische Zoutketen, het Accijnstorentje en de gevelwand van de Bierkade een eenheid vormt die onderdeel is van het beschermd stadsgezicht feitelijke grondslag.

2.4.5.    De Provinciale Planologische Commissie van Noord-Holland (hierna: de PPC) heeft in zijn advies, kenmerk 2006-37402, het volgende overwogen:

"Het perceel waarop het havengebouw is gepland ligt gedeeltelijk binnen de grens van het beschermd stadsgezicht van Alkmaar. Het bedoelde perceel ligt ingeklemd tussen de cultuurhistorisch waardevolle kleinschalige lintbebouwing langs de Bierkade en de Laat (waarin verschillende monumentale panden zijn gelegen) en de eveneens kleinschalige gemeentelijke en rijksmonumenten (woningen) aan de Voormeer. In het algemeen is de bebouwing langs de Laat, de Bierkade en de Voormeer niet hoger dan 9 meter. De commissie is het eens met reclamant, dat een gebouw met een hoogte van 22 meter hiertussen bepaald misstaat en ernstig afbreuk zou doen aan het zicht vanuit het oosten op het beschermd stadsgezicht in het algemeen en de accijnstoren in het bijzonder. Ook vanuit het centrum van Alkmaar gezien zal een gebouw met een dergelijke hoogte en bouwmassa beeldverstorend werken. Dit klemt te meer, daar in het Masterplan Havenkwartier en in de beschrijving in hoofdlijnen (artikel 4, lid, 2 van de voorschriften) juist is vastgelegd dat er aansluiting gezocht moet worden op de binnenstad, dat de samenhang tussen Bierkade en Voormeer versterkt moet worden en dat de nadruk hierbij ligt op kleinschalig wonen. Naar het oordeel van de commissie getuigt dan een gebouw met een dergelijke afwijkende bouwmassa en bouwhoogte niet van een goede ruimtelijke ordening."

   Aldus heeft de PPC zijn standpunt dat het plandeel dat voorziet in de bouw van het Havengebouw in strijd is met een goede ruimtelijke ordening voornamelijk erop gebaseerd dat dit gebouw leidt tot aantasting van het beschermd stadsgezicht.

2.4.6.    Ter zake van het beslissen over de goedkeuring van een bestemmingsplan is het desbetreffende college van gedeputeerde staten bevoegd. De adviezen van de PPC binden verweerder niet.

2.4.7.    Verweerder heeft met betrekking tot de omvang en bouwhoogte van het havengebouw in aanmerking genomen dat door het gemeentebestuur bij de voorbereiding van het plan ingevolge artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 overleg heeft plaatsgevonden met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (thans de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten; hierna: de Rijksdienst). Bij brief van 30 juni 2005 heeft de directeur van de Rijksdienst, voor zover thans van belang, aan het college van burgemeester en wethouders laten weten zich te kunnen vinden in het bestemmingsplan. Gelet hierop en op de in 2.4.3 weergegeven motivering in de toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht, om het plangebied, behoudens de Turfmarkt, buiten de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht te houden, heeft verweerder zich in afwijking van het advies van de PPC, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het havengebouw niet leidt tot een aantasting van het beschermd stadsgezicht. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat verweerder zich geen zelfstandig oordeel heeft gevormd omtrent de bouwmassa en bouwhoogte van het havengebouw, noch dat hij de daartegen door appellante ingebrachte bedenkingen niet heeft betrokken.

2.4.8.    De conclusie is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het met het plan mogelijk gemaakte havengebouw niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is mitsdien ongegrond.

2.5.    Van proceskosten van [appellant sub 1] die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen de goedkeuring van de bouwvlakken B1, B2 en C;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 5 september 2006, kenmerk 2006-43671, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding "gebied als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening" ter plaatse van het perceel [locatie 1];

IV.    onthoudt goedkeuring aan de onder III vermelde aanduiding;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

VI.    verklaart het beroep van [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, ongegrond;

VII.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. G.N. Roes, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren     w.g. Taal

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007

325-559.