Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200707353/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Duiven (hierna: het college) verzoeker op straffe van een dwangsom gelast de uitbreiding van de kapschuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en de fundamenten van de uitbreiding aan de achterzijde van de kapschuur te verwijderen en de opslag van hout buiten het hiervoor aangewezen bedrijfsterrein te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707353/2.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 11 september 2007 in de zaken nos. AWB 07/3316 en 07/3315 in het geding tussen:

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Duiven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Duiven (hierna: het college) verzoeker op straffe van een dwangsom gelast de uitbreiding van de kapschuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en de fundamenten van de uitbreiding aan de achterzijde van de kapschuur te verwijderen en de opslag van hout buiten het hiervoor aangewezen bedrijfsterrein te staken.

Bij besluit van 14 juli 2007 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 september 2007, verzonden op 14 september 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter) het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de last tot verwijdering van de betonnen vloer, het besluit van 14 juli 2007 in zoverre vernietigd en bepaald dat het college in zoverre een nieuw besluit op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen en voor het overige ongegrond.

Tegen deze uitspraak heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Hij heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 12 november 2007. Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 november 2007, waar [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door B.N. Niekamp en mr. M.J.E. Heutink, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen en hun standpunt nader hebben toegelicht.

2.    Overwegingen

2.1.    Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen het besluit ingestelde beroep, voor zover thans van belang, ongegrond heeft bevonden.

2.2.    In hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht is geen aanleiding te vinden om op voorhand aan te nemen dat de aangevallen uitspraak, voor zover daartegen door hem hoger beroep is ingesteld, in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de last in zoverre niet aan [verzoeker] mocht worden opgelegd. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat [verzoeker] niet over een bouwvergunning voor de uitbreiding van de kapschuur waarop de last ziet beschikt en dat de opslag van hout buiten het hiervoor aangewezen bedrijfsterrein in strijd is met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hosterpark-Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) op die delen van het perceel rustende bestemming "parkbos".

   De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het aan [verzoeker] was om aannemelijk te maken dat de uitbreiding van de kapschuur, zoals hij stelt, al bestond ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan en de houtopslag, zoals die thans plaatsvindt, reeds op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan plaatsvond. Naar voorlopig oordeel is de voorzieningenrechter terecht tot de conclusie gekomen dat [verzoeker] daarin niet is geslaagd. In het licht van de door het college in het geding gebrachte luchtfoto en de bij de aanvraag om verlening van een milieuvergunning door [verzoeker] overgelegde tekening heeft de voorzieningenrechter de door [verzoeker] ingebrachte getuigenverklaringen naar voorlopig oordeel terecht daarvoor onvoldoende geacht.

   In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd is voorts naar voorlopig oordeel evenmin grond te vinden voor het oordeel dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Zo het college al gebruik zou wensen te maken van de bevoegdheid om krachtens het bestemmingsplan vrijstelling te verlenen voor uitbreiding van de bestaande bebouwing met 10%, blijft dit onvoldoende om de uitbreiding van de kapschuur waarop de last ziet te legaliseren.

   Voorts bestaat op voorhand evenmin aanleiding om aan te nemen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, omdat het college geen partij was bij de overeenkomst tussen [verzoeker] en het Bureau Beheer Landbouwgronden met betrekking tot de overdracht van het perceel, hetgeen daarbij is overeengekomen niet in de weg staat aan de uitoefening door het college van zijn bevoegdheid om een last op te leggen, als het heeft gedaan.

   Ten slotte bestaat, naar voorlopig oordeel, geen aanleiding om aan te nemen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat het college met de last het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden, nu de bedrijfsactiviteiten op het buurperceel, anders dan op het perceel waarop de last ziet, op korte termijn zullen worden gestaakt.

2.3.    Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het verzoek af te wijzen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb     w.g. Wijers

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

444