Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BC0495

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
200705928/1 en 200705928/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk (hierna: het college) het wijzigingsplan "Duyn en Daelseweg 12 te Nuland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705928/1 en 200705928/2.

Datum uitspraak: 11 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2007, heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk (hierna: het college) het wijzigingsplan "Duyn en Daelseweg 12 te Nuland" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 juni 2007, kenmerk 1287935/1304991, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 17 augustus 2007, bij de Raad van State per faxbericht op dezelfde dag ingekomen, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 augustus 2007, bij de Raad van State per faxbericht op dezelfde dag ingekomen, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij], die in de gelegenheid is gesteld om als partij aan het geding deel te nemen, en van appellanten. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. T. Segers, advocaat te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen.

Voorts zijn daar als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door P.H.F.M. van Dongen, ambtenaar in dienst van de gemeente.

Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    [partij] stelt dat het beroep van appellanten geheel dan wel gedeeltelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe voert zij aan dat de zienswijze uitsluitend door [appellant A] naar voren is gebracht, terwijl het beroepschrift is ingediend door [appellant B]. Hoewel wordt gesteld dat namens alle erven wordt opgetreden, is in geen van beide gevallen sprake van een machtiging namens de andere erven, aldus [partij].

   De Voorzitter stelt vast dat uit het door appellanten nader ingezonden stuk volgt dat [appellant A] en [appellant B] beiden door de andere erven gemachtigd waren om zienswijzen naar voren te brengen respectievelijk beroep in te stellen.

   Ten aanzien van de stelling van [partij] dat appellanten geen belanghebbenden bij dit plan zijn, omdat zij vanuit hun woningen geen zicht op het plangebied hebben, overweegt de Voorzitter dat appellanten gronden in eigendom hebben die direct naast het plangebied liggen. Dit is in dit geval voldoende om te worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

   De Voorzitter ziet geen grond om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

2.4.    Het plan voorziet in de bouw van 6 vrijstaande woningen op een voormalige bedrijfslocatie aan de rand van de kern Nuland.

2.5.    Appellanten betogen dat het plan ten onrechte is goedgekeurd. Zij stellen dat binnen de 25-jaarszone van het grondwaterbeschermingsgebied niet mag worden gebouwd. Het plan is ten onrechte uitsluitend op financiële overwegingen gebaseerd. Daarnaast voldoet de ruimtelijke onderbouwing van het plan niet aan het provinciale 'Uitwerkingsplan Waalboss' (hierna: het uitwerkingsplan) en voldoet het plan niet aan het Besluit luchtkwaliteit. Tevens voeren appellanten aan dat ten onrechte de integrale visie voor de westrand van Nuland niet is afgewacht.

2.6.    De Voorzitter stelt vast dat blijkens plankaart 2 van het streekplan Brabant in Balans 2002, zoals dat geldt na de partiële herziening van 2004 (hierna: het streekplan), het plangebied in een grondwaterbeschermingszone ligt. Op pagina 49 van het streekplan is ten aanzien van deze zones vermeld dat bij nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van bestaande bebouwing, zowel op stedelijke inbreidings- en uitbreidingslocaties als in het buitengebied, de risico's voor de kwaliteit van het grondwater zo klein mogelijk dienen te blijven en dat er indien nodig aanvullende, beschermende maatregelen worden getroffen, die redelijkerwijs nodig zijn om grondwatervervuiling te voorkomen. Hieruit volgt niet dat het verboden is om binnen de grondwaterbeschermingszones nieuwe bebouwing op te richten, wel dienen voldoende voorzorgsmaatregelen te worden genomen.

Uit paragraaf 3.10 van de plantoelichting komt naar voren dat het college een uitvoerig hydrologisch onderzoek heeft uitgevoerd en dat het college een waterstructuurplan heeft opgesteld ter bescherming van het grondwater bij uitvoering van het plan. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid met het college op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ligging van het plangebied in een grondwaterbeschermingszone niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat.

2.6.1.    In het uitwerkingsplan is het plangebied aangeduid als 'integratie stad-land'. Op pagina 71 van het uitwerkingsplan is hierover vermeld dat van deze aanduiding gebruik is gemaakt wanneer het een zoekgebied betreft waarbinnen verstedelijking alleen afweegbaar is indien dat samen gaat met de ontwikkeling van de natuur-, dan wel landschappelijke waarden van het gebied. Voorts is op pagina 104 vermeld dat voor de kern Nuland kleinschalige ontwikkelingen aan de westzijde mogelijk zijn, indien deze passen binnen de legenda-eenheid 'integratie stad-land' en met inachtneming van de beschermingsvoorwaarden vanuit de waterwinning.

De Voorzitter stelt vast dat het plan geen verdere verstening of verstedelijking van het buitengebied mogelijk maakt, omdat in de bestaande situatie op deze locatie verharding en bedrijfsbebouwing aanwezig is. Voorts is in de plantoelichting uiteengezet hoe de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied zal worden verbeterd door het ontwikkelen van het plan. Tevens brengt het plan met zich dat het in het plangebied gevestigde transportbedrijf wordt verplaatst naar een andere locatie. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid met het college op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in een voldoende ruimtelijke onderbouwing. Daarnaast bieden de stukken geen aanknopingspunt voor de stelling van appellanten dat het plan uitsluitend op financiële overwegingen is gebaseerd. In de door appellanten genoemde omstandigheid dat het initiatief voor het plan van het bestaande transportbedrijf komt en dat daaraan financiële redenen ten grondslag liggen, heeft verweerder geen aanleiding behoeven te zien om aan het plan goedkeuring te onthouden.

2.6.2.    Op pagina 4 van de plantoelichting is vermeld dat met de stedenbouwkundige invulling die aan het plan ten grondslag ligt, is aangesloten bij de in voorbereiding zijnde integrale visie voor het gebied ten westen van de kern Nuland. Tevens is daar vermeld dat het gebied wordt gekenmerkt door het kleinschalige besloten landschap met losse bebouwingselementen en dat daarom in het plan in slechts een beperkt aantal vrijstaande woningen is voorzien dat zal worden omzoomd door een groenstrook.

   Gelet op het feit dat door de ontwikkeling van het plan op deze locatie een minder gewenste functie zal verdwijnen en dat bij de voorbereiding van het plan afstemming heeft plaatsgevonden met de in voorbereiding zijnde integrale visie, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat niet behoefde te worden gewacht met het in procedure brengen van het plan totdat de integrale visie is vastgesteld.

2.6.3.    De Voorzitter stelt vast dat niet het door appellanten genoemde Besluit luchtkwaliteit 2001 van toepassing is, maar het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005).

   Verweerder heeft aan het bestreden besluit een luchtkwaliteitonderzoek ten grondslag gelegd dat is uitgevoerd door SAB Eindhoven. Het verslag van dit onderzoek is neergelegd in het rapport van 16 februari 2006, nummer 88.70.06.13 (hierna: het luchtkwaliteitrapport). Volgens het luchtkwaliteitrapport wordt aan de in artikel 15 van het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) voldaan. Voorts volgt uit het luchtkwaliteitrapport dat de jaargemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) aan de in artikel 20, onder a, van het Blk 2005, genoemde grenswaarde voldoet. Ten aanzien van zwevende deeltjes (PM10) is tevens vermeld dat de norm voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zowel in de autonome als in de toekomstige situatie vaker wordt overschreden dan de toegestane 35 maal per kalenderjaar. De concentratie en het aantal overschrijdingen na planontwikkeling blijft evenwel gelijk ten opzichte van de autonome situatie. Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005, staat een reeds bestaande overschrijding van een voor de luchtkwaliteit gestelde grenswaarde niet in de weg aan het uitoefenen van een bevoegdheid, zolang de concentratie van de betrokken stof in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan het Blk 2005.

2.6.4.    Ten aanzien van de door appellanten gemaakte vergelijking met de naastgelegen gronden, die zij in eigendom hebben, overweegt de Voorzitter dat verweerder en het college zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de gronden van appellanten agrarisch worden gebruikt, terwijl op de gronden binnen het plangebied reeds bebouwing en verharding aanwezig is. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder en het college zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat de door appellanten genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.6.5.    De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.6.6.    Het beroep is ongegrond. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen     w.g. Broekman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007

12-545.