Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9995

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200704435/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / bekendmaking / bezwaartermijn

Onder de hiervoor gegeven omstandigheden moet worden geoordeeld dat het besluit van 6 mei 2002, door publicatie daarvan in de Staatscourant van 18 juni 2002, op een andere geschikte wijze, als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb bekend is gemaakt. De omstandigheid dat het besluit nadien alsnog in persoon aan appellant is uitgereikt heeft gelet op het vorenstaande voor de bekendmaking ervan derhalve geen betekenis. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift van appellant van 13 oktober 2005 buiten de bezwaartermijn is ingediend. Nu het niet doorgeven van de wijziging van zijn woon- of verblijfplaats voor risico van appellant komt, kan reeds om die reden redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Het bezwaar dient alsnog niet ontvankelijk te worden verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 253
JV 2008/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200704435/1.

Datum uitspraak: 4 december 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[Appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/43389 van de rechtbank 's Gravenhage van 31 mei 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2002 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) appellant ongewenst verklaard.

Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 mei 2007, verzonden op 4 juni 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 juni 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2.1.1. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:41, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van het besluit, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere geschikte wijze.

2.1.2. In artikel 67, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, geschiedt door toezending, van de beschikking mededeling wordt gedaan in de Staatscourant.

2.1.3. Volgens paragraaf B1/2.2.4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, wordt, voor zover thans van belang, het origineel van de beschikking tot ongewenstverklaring aan de vreemdeling in persoon uitgereikt en op dezelfde dag een afschrift daarvan aan de gemachtigde, indien deze er is, gezonden.

Indien uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet kan plaatsvinden, wordt de beschikking per aangetekende brief aan het laatst bekende adres van de vreemdeling en een afschrift daarvan aan de gemachtigde, indien deze er is, gezonden en vindt tevens publicatie van de beschikking in de Staatscourant plaats.

2.1.4. Uit de gedingstukken blijkt dat de staatssecretaris bij brief van 6 mei 2002 drie exemplaren van het besluit tot ongewenstverklaring, mede op naam gesteld van aliassen waarvan appellant zich in het verleden heeft bediend, aan de korpschef van regionaal politiekorps Haaglanden (hierna: de korpschef) heeft gezonden met het verzoek de originele beschikking zo mogelijk in persoon aan appellant uit te reiken. De korpschef heeft die brief op 7 mei 2002 ontvangen. Voorts blijkt uit de brief van de korpschef van 6 juni 2002 aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst dat onderzoek heeft uitgewezen dat appellant na ontslag uit detentie op 8 mei 2002 op het laatst bij de staatssecretaris bekende adres, de Penitentiaire Inrichting "De Geerhorst" te Sittard, is uitgeschreven en dat hij op diezelfde dag met onbekende bestemming is vertrokken. Uit de stukken van dat onderzoek blijkt voorts dat appellant ten tijde van belang geen gemachtigde had. Op verzoek van de staatssecretaris is vervolgens in de Staatscourant van 18 juni 2002 mededeling gedaan van het besluit van 6 mei 2002.

2.1.5. Gelet op de korte tijd die ligt tussen de ontvangst door de korpschef van het verzoek van de staatssecretaris om de originele beschikking zo mogelijk in persoon uit te reiken en de datum dat appellant is ontslagen uit de Penitentiaire Inrichting "De Geerhorst", heeft uitreiking in persoon aldaar niet kunnen plaatsvinden. De staatssecretaris heeft zich er door onderzoek afdoende van vergewist dat toezending aan appellant na 8 mei 2002 zinledig was, omdat hij niet meer woonachtig was op het laatst bekende adres, met onbekende bestemming was vertrokken en geen gemachtigde had. Het lag niet op de weg van de staatssecretaris een verdergaand onderzoek te verrichten naar het verblijfadres van appellant. In dit verband is van belang dat appellant blijkens zijn brief van 8 januari 2002 op de hoogte was van het voornemen van de staatssecretaris om hem ongewenst te verklaren. Gelet hierop lag het op zijn weg om de staatssecretaris in kennis te stellen van de wijziging van zijn woon- of verblijfplaats.

Onder de hiervoor gegeven omstandigheden moet worden geoordeeld dat het besluit van 6 mei 2002, door publicatie daarvan in de Staatscourant van 18 juni 2002, op een andere geschikte wijze, als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb bekend is gemaakt. De omstandigheid dat het besluit nadien alsnog in persoon aan appellant is uitgereikt heeft gelet op het vorenstaande voor de bekendmaking ervan derhalve geen betekenis. Hieruit volgt dat het bezwaarschrift van appellant van 13 oktober 2005 buiten de bezwaartermijn is ingediend. Nu het niet doorgeven van de wijziging van zijn woon- of verblijfplaats voor risico van appellant komt, kan reeds om die reden redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Het bezwaar dient alsnog niet ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren, het besluit van 15 augustus 2006 vernietigen, het door appellant tegen het besluit van 6 mei 2002 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 mei 2007 in zaak nr. 06/43389;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 15 augustus 2006, kenmerk 0761-20-0021;

V. verklaart het door appellant tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 6 mei 2002 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan € 644,00 voor het beroep en € 322,00 voor het hoger beroep; het bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; het bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 357,00 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens

Voorzitter

w.g. Zwinkels

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2007

309-534.

Verzonden: 4 december 2007

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak