Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9978

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200702832/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het dagelijks bestuur) een aanvraag van appellante om ontheffingen voor het innemen van een ligplaats met een recreatieschip en een woonschip aan de westelijke zijde van de rivier de Vecht ter hoogte van de percelen gemeente Muiden, sectie […], nos. […], afgewezen. Het betreft de ligplaatsen met de nummers [A] en [B].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 25 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702832/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3406 van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het dagelijks bestuur) een aanvraag van appellante om ontheffingen voor het innemen van een ligplaats met een recreatieschip en een woonschip aan de westelijke zijde van de rivier de Vecht ter hoogte van de percelen gemeente Muiden, sectie […], nos. […], afgewezen. Het betreft de ligplaatsen met de nummers [A] en [B].

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2007, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. drs. P.E.M. Bank, advocaat te Den Haag, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.M.C. Roberts, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van de Integrale Keur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, vastgesteld op 20 december 2001 (hierna: de keur), is het verboden in de wateren ligplaats te nemen met een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting.

   Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de keur kan het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap schriftelijk ontheffing verlenen van de in deze keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen.

2.2.    Het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht heeft op 20 december 2001 de Nota Vaarwater op Orde (hierna: de nota) vastgesteld. Deze bevat onder meer de door het dagelijks bestuur te hanteren beleidsregels ter invulling van de hem op grond van artikel 22 van de keur toekomende beleidsvrijheid om ontheffing te verlenen.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de aanvraag van appellante in beginsel moet worden beoordeeld op grond van de wet- en regelgeving die van kracht is op het moment dat het besluit op de aanvraag wordt genomen en dat niet valt in te zien waarom daarop in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt. Voorts heeft zij overwogen dat het dagelijks bestuur de aanvraag van appellante om een ontheffing voor ligplaats nr. [A] in redelijkheid heeft kunnen afwijzen, omdat de overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende] in rechte onaantastbaar is geworden en daarom de ligplaats feitelijk niet beschikbaar was. Ten aanzien van ligplaats nr. [B] heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur de aanvraag van appellante, voor zover deze ziet op een woonschip, heeft kunnen afwijzen op de grond dat de gemeente Muiden de vereiste toestemming niet had verleend, en voor zover de aanvraag betrekking heeft op een recreatieschip, op de grond dat appellante niet voldeed aan het in de nota gestelde woonvereiste. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur in dit geval van zijn beleid zou moeten afwijken.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft getoetst aan de regelgeving die van kracht was op het moment dat het besluit op de aanvraag werd genomen. Zij voert daartoe aan dat het beleid dat gold ten tijde van haar aanvraag van 18 juni 2001 gunstiger was dan het beleid dat gold ten tijde van het besluit op de aanvraag, omdat de eis dat de aanvrager woonachtig moet zijn op het perceel dat grenst aan de voorgenomen ligplaats of op een woonschip ter plaatse, op eerstbedoeld tijdstip nog niet gold. Zij verwijst in dit verband naar besluiten van het dagelijks bestuur van 25 maart 1997 en 14 november 2000, alsmede naar een brief van 23 juli 2001.

2.4.1.    Ter zitting is door het dagelijks bestuur gesteld dat ten tijde van de aanvraag slechts een ongeschreven vaste gedragslijn werd gehanteerd, waarvan de strekking later neerslag heeft gevonden in de nota. De stukken die appellante over heeft gelegd wijzen er niet op dat deze stelling onjuist is. Het besluit van 25 maart 1997 behelst de bekendmaking van een algemeen verbindend voorschrift. Het besluit van 14 november 2000 betreft de verlening van ontheffing voor het innemen van een ligplaats aan een derde. De brief van 23 juli 2001 betreft een verzoek om aanvulling van de aanvraag van appellante. Geen van deze stukken bevat beleid of geeft anderszins blijk van het bestaan daarvan. Derhalve is niet gebleken dat ten tijde van de aanvraag van appellante een ander beleid gold of een andere vaste gedragslijn werd gevolgd. Gelet hierop heeft de rechtbank in zoverre terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij zijn beslissing op bezwaar geen toepassing heeft mogen geven aan de keur en de in de nota vermelde beleidsregels.

2.5.    Voorts voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat tegen de overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende] geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Zij stelt daartoe dat het dagelijks bestuur verzuimd heeft voorafgaande aan de overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende], de toenmalige eigenaresse van het aangrenzende perceel, zijnde haar moeder, ter zake van de overschrijving te horen. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur verzuimd de verleende ontheffing te publiceren, aldus appellante. Nadat appellante eerst op 8 november 2002 ermee bekend was geworden dat een ontheffing voor ligplaatsnummer [A] reeds was overgeschreven op naam van [belanghebbende], heeft zij bij aangetekend schrijven van 11 november 2002 daartegen bezwaar gemaakt, doch haar brief is door het dagelijks bestuur ten onrechte niet als bezwaarschrift aangemerkt, zo betoogt zij. Daarom kan volgens appellante aan de overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende] geen betekenis toekomen.

2.5.1.    Dit betoog faalt evenzeer. De omvang van het geding bij de rechtbank als thans aan de orde wordt bepaald door de beslissing op bezwaar tegen de weigering aan appellante een ontheffing voor het innemen van een ligplaats te verlenen. Daargelaten of sprake was van schending van de hoorplicht en een gebrekkige publicatie van de overschrijving van de ontheffing, en of de brief van appellante van 11 november 2002 kon worden aangemerkt als een tijdig ingediend bezwaarschrift gericht tegen die overschrijving, had het op de weg van appellante gelegen om op enig moment, althans niet onredelijk laat, rechtsmiddelen aan te wenden tegen het uitblijven van een beslissing op het beweerde bezwaarschrift. Appellante heeft dat nagelaten. Het beroep bij de rechtbank is mitsdien terecht beperkt gebleven tot de door appellante aangevraagde ligplaatsvergunning, waarbij de rechtbank bij haar beoordeling van het onderhavige beroep mocht uitgaan van de in rechte onaantastbare overschrijving van de ontheffing op naam van [belanghebbende].

2.6.    Appellante voert voorts aan dat de rechtbank bij de bespreking van ligplaats nr. [B] voor een woonschip ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat de gemeente Muiden op oneigenlijke gronden het dagelijks bestuur heeft verzocht de gevraagde ontheffing te weigeren.

2.6.1.    Volgens paragraaf 3.4 van de nota, voor zover thans van belang, wordt een aanvraag om een ontheffing voor het innemen van een ligplaats eerst in behandeling genomen als deze vergezeld gaat van een schriftelijke toestemming of een ontheffing van de desbetreffende gemeente. Bij brief van 1 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Muiden (hierna: het college van Muiden) die toestemming niet verleend en het dagelijks bestuur verzocht de gevraagde ontheffing te weigeren. Daarbij heeft het college van Muiden gewezen op de ter plaatse geldende bestemming 'water' in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 1968' en op het verbod, neergelegd in artikel 17 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften, om op gronden met deze bestemming met een woonschip of een recreatieschip ligplaats in te nemen. Het heeft voorts te kennen gegeven het bestemmingsplan op dit onderdeel slechts te willen aanpassen ter uitvoering van het restauratieplan Vecht.

   Het dagelijks bestuur voert het beleid om een aanvraag als de onderhavige in beginsel af te wijzen indien niet wordt voldaan aan de criteria die zijn neergelegd in de nota. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat dit rechtens onjuist is. Reeds op de grond dat door het college van Muiden de vereiste toestemming niet was verleend, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur, in het verlengde van paragraaf 3.4 van de nota, de aanvraag van appellante heeft kunnen afwijzen. De rechtbank is daarbij terecht niet ingegaan op het betoog van appellante dat de gemeente Muiden op oneigenlijke gronden het dagelijks bestuur heeft verzocht de gevraagde ontheffing te weigeren. Of daarvan sprake was, stond voor de rechtbank niet ter beoordeling, nu het toepasselijke recht daarvoor geen grondslag biedt.

2.7.    Tot slot voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwijking van de nota gerechtvaardigd was. Volgens appellante heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom de omstandigheid dat appellante eigenaresse is van de oever en het perceel waaraan ligplaats nr. [B] grenst, niet een zodanig bijzondere omstandigheid is dat het dagelijks bestuur van de nota zou moeten afwijken. Ter zitting heeft appellante daaraan toegevoegd dat de lange duur van de procedure en de steken die het dagelijks bestuur heeft laten vallen, eveneens een bijzondere omstandigheid vormen die de rechtbank bij haar beoordeling had moeten betrekken.

2.7.1.    De rechtbank heeft de omstandigheid dat appellante thans eigenaresse is van het perceel en de oever waaraan ligplaats nr. [B] grenst, terecht niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die ertoe noopt af te wijken van de nota, nu een dergelijke omstandigheid geacht moet worden bij de vaststelling van de nota te zijn betrokken. Daaraan doet niet af dat deze omstandigheid niet uitdrukkelijk is vermeld in de toepasselijke delen van de nota.

   Uit de stukken blijkt niet dat appellante de duur van de procedure en de handelwijze van het dagelijks bestuur bij de rechtbank heeft aangevoerd als argument voor het bestaan van bijzondere omstandigheden in bedoelde zin. Mitsdien heeft de rechtbank dit argument niet in haar oordeel kunnen betrekken. Het kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand houdt.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Können, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk     w.g. Können

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

301-384.