Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9976

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200701959/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij [vennoot A] medegedeeld dat hij noch [appellante] (hierna de VOF) in aanmerking komt voor een vergunning voor de visserij met vaste vistuigen voor de periode vanaf 1 april 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701959/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], en haar vennoten [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/191 van de rechtbank Middelburg van 6 februari 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2003 heeft de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij [vennoot A] medegedeeld dat hij noch [appellante] (hierna de VOF) in aanmerking komt voor een vergunning voor de visserij met vaste vistuigen voor de periode vanaf 1 april 2003.

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het daartegen door [vennoot B] en [vennoot A], ieder handelend voor zich en in hun hoedanigheid van mede-vennoot in de VOF, alsmede het daartegen door de VOF gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door [vennoot B], [vennoot A] en de VOF ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 mei 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.W.H.M. Haans, advocaat te Bergen op Zoom, en vergezeld door [vennoot B], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Nagel, ambtenaar werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is aangetoond dat door [vennoot A] en [vennoot B] als vennoten van de VOF gezamenlijk is voldaan aan de in het beleid gestelde inkomenstoets.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister bij de bepaling van het inkomen van de VOF terecht is uitgegaan van het begrip inkomen in de zin van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: de wet IOAZ), heeft miskend dat een rechtspersoon geen inkomen kan hebben in de zin van de wet IOAZ. De wet IOAZ ziet op een gewezen zelfstandige die een bedrijf of een beroep heeft uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak, maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap en derhalve niet op het inkomen van een vennootschap onder firma als zodanig, aldus appellanten. De rechtbank heeft, naar zij stellen, daarom ten onrechte overwogen dat voor de vaststelling van het inkomen in beginsel moet worden aangesloten bij het door de fiscus aanvaarde inkomen. Zij volharden dan ook in hun standpunt dat het inkomen van de VOF als geheel - het zogenoemde commerciële inkomen van de VOF waarbij de omzetcijfers uitgangspunt zijn - in aanmerking had moeten worden genomen.

2.2.1.    In verband met de mogelijk nadelige gevolgen van het vissen met vaste vistuigen of met een zegen voor natuurwaarden en lokale visbestanden, heeft de minister beleid ontwikkeld dat erop ziet dat de vergunningverlening voor de visserij met deze tuigen wordt teruggebracht. Dit beleid is neergelegd in het Beleidsbesluit vaste vistuigen van december 2002. Blijkens dat beleid worden reeds verstrekte tijdelijke vergunningen voor het vissen met genoemde vistuigen niet langer verlengd, doch wordt aan houders van een dergelijke vergunning een nieuwe, overdraagbare, vergunning voor onbepaalde tijd verstrekt indien zij voldoen aan een inkomenstoets. Bij de vaststelling van die toets is aansluiting gezocht bij de wet IOAZ. Dit beleid is door de Afdeling in haar uitspraak van 16 maart 2005 in zaak nr. 200407178/1 aanvaardbaar geacht.

2.2.2.    Hoewel de wet IOAZ is gericht op gewezen zelfstandigen, kan voor toepassing van het Beleidsbesluit de norm voor het bepalen van het inkomen van de VOF daaraan worden ontleend. Daartoe dient het netto inkomen voor belastingen als uitgangspunt te worden genomen en niet, zoals appellanten veronderstellen, het commerciële inkomen waaronder volgens hen dient te worden verstaan de omzet. Het oordeel van de rechtbank is in zoverre juist.

2.2.3.    De Afdeling is van oordeel dat uit de stukken niet is gebleken dat de VOF over de referentieperiode 1997 tot en met 2001 ten minste twee jaren een netto inkomen heeft behaald uit de beroepsvisserij van minimaal 50% van het minimuminkomen voor zelfstandigen als bedoeld in de wet IOAZ, waarvan bovendien minimaal 25% diende te zijn verworven uit de visserij met vaste vistuigen. De Afdeling komt daarmee met de rechtbank tot de conclusie dat de VOF niet aannemelijk heeft gemaakt aan de inkomenseis te hebben voldaan. Het betoog faalt derhalve.

2.3.    Appellanten betogen voorts dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijken van het gevoerde beleid. Zij hebben er daarbij op gewezen dat [vennoot B] per 1 november 2000 zijn dienstbetrekking bij een mosselkweekbedrijf had opgezegd om fulltime voor de VOF te kunnen gaan werken.

2.3.1.    Dit betoog faalt omdat die omstandigheid niet in die mate bijzonder is, dat deze tot afwijking van het beleid zou kunnen nopen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk     w.g. Den Broeder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

301-384.