Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9975

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200700371/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft verweerder het verzoek van appellanten om handhavingsmaatregelen te treffen tegen de gemeente Rotterdam in verband met het voorbelasten van de grond in het gebied Polder Schieveen en het aanleggen van een verbindingsweg naar de Oude Bovendijk, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2008/24 met annotatie van H.E. Woldendorp
Milieurecht Totaal 2007/3077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700371/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "Vereniging tegen Milieubederf in en om het Nieuwe Waterweggebied" (hierna: de VTM) en anderen, gevestigd te Schiedam,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft verweerder het verzoek van appellanten om handhavingsmaatregelen te treffen tegen de gemeente Rotterdam in verband met het voorbelasten van de grond in het gebied Polder Schieveen en het aanleggen van een verbindingsweg naar de Oude Bovendijk, afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2006, verzonden op 22 december 2006, heeft verweerder het door appellanten hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 15 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, en [voorzitter] van de VTM, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.J. van Eijk en A. van Heerden, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is gehoord het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. M.E. Kleiweg de Zwaan en M.N.M. Kaptein MSc, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat het voorbelasten van de grond in het gebied Polder Schieveen en het aanleggen van een verbindingsweg naar de Oude Bovendijk in het kader van het voorziene bedrijventerrein, vergunningplichtige werkzaamheden zijn op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998), nu sprake is van significante gevolgen voor de lepelaarkolonie op Voorne, waarvoor het gebied Polder Schieveen een kernfoerageergebied is. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en er heeft geen juiste afweging plaatsgevonden, omdat verweerder zijn beoordeling van bedoelde gevolgen ten onrechte enkel heeft gebaseerd op aannames en veronderstellingen en zich heeft laten leiden door de vrees voor precedentwerking, aldus appellanten.

2.2.    Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de handelingen in het gebied Polder Schieveen niet de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de lepelaars die broeden in de speciale beschermingszone (hierna: SBZ) Voornes Duin, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op die lepelaars. Hij stelt daartoe dat de lepelaars niet enkel op Polder Schieveen zijn aangewezen om te foerageren en niet is gebleken dat de andere foerageergebieden minder geschikt zijn voor de lepelaar. Gelet daarop handhaaft verweerder zijn besluit van 18 augustus 2006, waarin hij het verzoek om handhaving heeft afgewezen.

2.3.    Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden om zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het derde lid, van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister), projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een gebied waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

   Ingevolge artikel V, eerste lid, van de wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen gelden de besluiten van de minister houdende de aanwijzingen van gebieden ter uitvoering van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn) als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, eerste alinea, van Vogelrichtlijn worden voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten speciale beschermingsmaatregelen getroffen, opdat deze soorten daar waar zij voorkomen, kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten. Volgens de laatste alinea van dit artikellid wijzen de lid-staten met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszone aan. De lepelaar is één van de op deze bijlage opgenomen soorten.

   Volgens artikel 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna  Pb. 1992, L 206/7, (hierna: de Habitatrichtlijn), voor zover hier van belang, komen de uit  artikel 6, leden 2, 3 en 4, voortvloeiende verplichtingen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste zin van de Vogelrichtlijn voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 4, eerste zin, van die Richtlijn zijn aangewezen. Volgens artikel 6, tweede lid,  van de Habitatrichtlijn treffen de lid-staten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren een significant effect zouden kunnen hebben.

2.4.    Bij besluit van 24 maart 2000, kenmerk N.2000/328, van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: Minister van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit), gewijzigd bij besluit van 10 januari 2003, kenmerk TRCJZ 2002/5275, is Voornes Duin aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de Vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn), omdat het gebied onder meer behoort tot één van de vijf belangrijkste broedgebieden voor lepelaars, waarvan ook drempeloverschrijdende aantallen het gebied benutten als broed- en rustplaats. In paragraaf 4.3. van de toelichting behorende bij voornoemd besluit is vermeld dat de lepelaars beide duinmeren en omgeving, waaronder het Breedewater en het Quackjeswater, gebruiken als broed en rustplaats. Beleid en beheer zijn, zo is vermeld in paragraaf 5. van de toelichting, gericht op de instandhouding en ontwikkeling van de vogelkundige waarden van het gebied zoals onder meer hierboven beschreven.

   Polder Schieveen is ongeveer 40 kilometer ten noordoosten gelegen van Voornes Duin. In de stukken is vermeld dat de lepelaars, waaronder die uit Voornes Duin, onder andere dat gebied als foerageergebied gebruiken.

2.5.    Artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is uitsluitend van toepassing op gebieden die zijn aangewezen op grond van artikel 10a, eerste lid, of gebieden waarvan de aanwijzing als zodanig in overweging is genomen als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Nbw 1998. Gelet op artikel V van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen gelden het aanwijzingsbesluit van het gebied Voornes Duin tot speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn als besluit in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998. De uit artikel 19d van de Nbw 1998 voortvloeiende verplichtingen strekken derhalve tot bescherming van het gebied Voornes Duin voor zover het is aangewezen als SBZ in de zin van de Vogelrichtlijn.

2.6.    De Afdeling stelt vast dat artikel 19d van de Nbw 1998 zowel tot bescherming van de kwaliteit van de aangewezen zone strekt als verstoringen van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, zoveel mogelijk wil voorkomen. Dit betekent dat het gebied zijn functie van broed- en rustplaats voor de lepelaars ongestoord moet kunnen blijven vervullen. Deze bescherming houdt, anders dan appellanten veronderstellen, geen bescherming in van de betrokken vogelsoorten, in dit geval de lepelaar, als zodanig. Het is de kolonie van lepelaars die aan de Nbw 1998 bescherming ontleent via de aanwijzing van Voornes Duin als SBZ en het voor die zone geldende rechtsregime.

   Op grond van de bepalingen van de Nbw 1998 is wel mogelijk dat een vergunningplicht bestaat voor projecten of andere handelingen die buiten een SBZ plaatsvinden, indien die, voor zover thans van belang, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van die SBZ de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten in een SBZ kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen in de hierboven nader aangegeven zin. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daarvan is het onderhavige geval geen sprake is.

   Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het recht is genomen. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra     w.g. Vogel-Carprieaux

Voorzitter           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

458