Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200703299/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brunssum (hierna: het college) [belanghebbende], wonend te [plaats], handelend onder de naam [partij] vrijstelling verleend voor het gebruik van de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gelegen bebouwing als werkplaats en showroom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703299/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/1190 van de rechtbank Maastricht van 6 april 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Brunssum.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brunssum (hierna: het college) [belanghebbende], wonend te [plaats], handelend onder de naam [partij] vrijstelling verleend voor het gebruik van de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) gelegen bebouwing als werkplaats en showroom.

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 juli 2007 heeft [partij] een reactie ingediend.

Bij brief van 24 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2007, waar [3 appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. R.P.F. Rober, advocaat te Hoensbroek, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.D. Lelieveld, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. J.J.G. Palmen. Buiten bezwaren van de andere partijen hebben appellanten ter zitting een nader stuk overgelegd.

2.    Overwegingen    

2.1.    Op het perceel is een loods aanwezig van 16,6 m x 8 m, waarin blijkens het verzoek om vrijstelling een werkplaats ten behoeve van herstel en reparatie van hekwerken en een showroom voor hekwerken zijn voorzien. De aanvraag voor het gewijzigde gebruik van de loods is beperkt tot één dag in de week, met name tot de zaterdag. De openstelling van de showroom is beperkt tot de zaterdag van 09:00 uur tot 14:00 uur. Reeds sinds 1994 vindt op het perceel opslag en stalling van hekwerken plaats.    

2.2.    Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Woongebieden" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden".

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "Bedrijfsdoeleinden" aangegeven gronden bestemd voor bedrijfsdoeleinden in de milieucategorieën 1 en 2 zoals weergegeven in de als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.    

2.3.    Niet in geschil is dat het door [partij] voorziene gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.

   Het college heeft met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro) vrijstelling voor dat gebruik verleend.

2.3.1.    Ingevolge deze bepalingen, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m2.

2.3.2.    De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat, nu het gebruik waarvoor vrijstelling is verleend een wijziging inhoudt van het gebruik van een opstal als bedoeld in voormeld artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro, het college bevoegd was daarvoor vrijstelling als bedoeld in voormeld artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college vrijstelling heeft kunnen verlenen. Zij voeren daartoe aan dat, nu het gebruik niet is opgenomen in voormelde Staat van bedrijfsactiviteiten, dit niet valt onder categorie 1, 2 of 3 en daarom niet past binnen een woonomgeving. Voorts voeren zij daartoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college de overlast ten onrechte bagatelliseert en dat de rechtbank, nu het college geen goed beeld heeft van de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten, ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de vrijstelling niet mocht worden verleend.

2.4.1.    Gelet op de aard van het gebruik van de bebouwing op het perceel, zoals dit in het verzoek om vrijstelling is aangegeven, moet worden vastgesteld dat het een aan de opslag en stalling ondergeschikte nevenactiviteit betreft. Dit gebruik wijkt dan ook niet zodanig af van de op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegelaten bedrijfsdoeleinden in de milieucategorieën 1 en 2, dat grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet valt in te zien dat dit gebruik vanuit planologisch oogpunt minder gewenst zou zijn dan de bedrijfsdoeleinden in de milieucategorieën 1 en 2.

   Gelet op het vorenstaande betogen appellanten tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat bij de verlening van de vrijstelling ten onrechte de in de Staat van bedrijfsactiviteiten bij milieucategorie 3 voorgeschreven afstand niet in acht is genomen.

2.4.2.    Uit de door het college in het kader van het verzoek om vrijstelling en daarna verrichte milieucontroles blijkt dat de voorschriften van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven in voldoende mate worden nageleefd en geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat sprake is van zodanige geluidsoverlast dat het college op grond daarvan van inwilliging van het verzoek om vrijstelling had behoren af te zien. De vraag in hoeverre de op het perceel thans daadwerkelijk verrichte activiteiten afwijken van die waarvoor vrijstelling is verleend heeft de rechtbank terecht slechts van betekenis geacht in het kader van een eventuele handhavingsprocedure. De Afdeling gaat er daarbij vanuit dat de vrijstelling is verleend conform de aanvraag.

2.4.3.    Nu moet worden vastgesteld dat geen sprake is van een relevante verzwaring ten opzichte van de ter plaatse voor het verlenen van de vrijstelling reeds toegestane activiteiten, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het gebruik van de op het perceel gelegen bebouwing als werkplaats en showroom.

2.5.    De voorgedragen beroepsgronden falen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek   w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

328-530.