Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9971

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200703072/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (hierna: het dagelijks bestuur) een aanvraag van appellante voor subsidie in het kader van de Noordelijke Innovatie Ondersteuningsfaciliteit 2000 (hierna: de NIOF 2000) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703072/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1508 van de rechtbank Groningen van 27 maart 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (hierna: het dagelijks bestuur) een aanvraag van appellante voor subsidie in het kader van de Noordelijke Innovatie Ondersteuningsfaciliteit 2000 (hierna: de NIOF 2000) afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2007, verzonden op 28 maart 2007, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 juni 2008 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.G.H.M. Kniest en mr. M.R. Broekema, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.E. van der Heijden en drs. C. van Rosendal, beiden werkzaam bij het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de NIOF 2000 is een deskundige: degene die op grond van opleiding of ervaring geacht moet worden bijzonder gekwalificeerd te zijn voor het uitvoeren van een opdracht in het kader van een op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteit.

   Ingevolge artikel 27, eerste lid, zijn de subsidiabele kosten voor internationale oriëntatie de loonkosten van een in dienst te nemen deskundige tot een maximum van € 70.000,-- per jaar.

   Ingevolge het tweede lid zijn de in het eerste lid bedoelde kosten gedurende maximaal 2 jaar subsidiabel en dienen deze te worden gemaakt ter uitvoering van 1 of 2 arbeidsovereenkomsten met een deskundige of deskundigen die gedurende ten minste 32 uur per week werken aan de uitvoering van een internationaal marketingplan.

2.2.    Appellante heeft subsidie aangevraagd voor de loonkosten van een Sales Engineer Export. In het bij de aanvraag gevoegde Exportplan 2003-2006 van appellante zijn in paragraaf 4.1.3, onder de noemer "interne organisatie" de werkzaamheden van deze Sales Engineer omschreven. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaarschrift ongegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de externe adviescommissie voor de behandeling van bezwaren tegen beschikkingen uitgaande van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland van 27 juni 2005. De commissie constateert dat de exportbevordering hoofdzakelijk door de exportmanager geschiedt en ziet het uitvoeren van werkzaamheden van de Sales Engineer als de uitvoering van een ondersteunend onderdeel van het internationaal marketingplan, waardoor dit conform artikel 27, tweede lid, van de NIOF 2000 niet voor subsidie in aanmerking komt.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank de begrippen "deskundige" en "marketingplan" in de regeling onjuist interpreteert.

2.3.1.    Dit betoog slaagt niet. In artikel 1, aanhef en onder c, van de NIOF 2000 wordt het begrip "deskundige" gedefinieerd. Een element in deze definitie is dat de deskundige gekwalificeerd is voor het uitvoeren van een opdracht in het kader van een op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteit. Artikel 27 van de NIOF 2000, dat specifiek handelt over subsidiabele kosten voor internationale oriëntatie die kunnen bestaan uit de loonkosten van een in dienst te nemen deskundige, is opgenomen in het hoofdstuk "bijzondere bepalingen met betrekking tot internationalisering." De toelichting op deze bepaling beschrijft de deskundige als een "exportdeskundige". Gelet hierop is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat de desbetreffende deskundige een exportdeskundige dient te zijn. Vervolgens heeft de rechtbank terecht uit de omschrijving van de werkzaamheden van de Sales Engineer in het Exportplan 2003-2006 afgeleid dat deze werkzaamheden primair intern ondersteunend van karakter zijn. De Sales Engineer wordt in dat plan immers omschreven als een binnendienstmedewerker en zijn taken zijn faciliterend en ondersteunend ten behoeve van een efficiënte interne organisatie. Dat de Sales Engineer daarbij ook de exportmanager ondersteunt, die werkzaamheden verricht die erop zijn gericht een directe toename van de buitenlandse afzet te realiseren, verandert de aard van de werkzaamheden van de Sales Engineer niet. Dat het dagelijks bestuur een vergelijkbare andere aanvraag, namelijk een aanvraag voor een subsidie voor loonkosten van een Export Medewerker Binnendienst die naar appellante stelt ook interne werkzaamheden verricht, wel heeft gehonoreerd, heeft appellante wel gesteld maar zij heeft dit niet aannemelijk gemaakt.

2.3.2.    Voor zover appellante betoogt dat de interpretatie van het begrip "internationaal marketingplan" afwijkt van hetgeen in het maatschappelijk verkeer daaronder wordt verstaan heeft de rechtbank overwogen dat artikel 27 van de NIOF 2000 noch de toelichting daarop een definitie geven van het begrip "internationaal marketingplan". De definitie van het dagelijks bestuur, zoals aangegeven in het advies van de commissie voor bezwaarschriften, luidt: "een plan waarin wordt beschreven op welke wijze de onderneming een voorafgestelde toename van haar buiten Nederland gerealiseerde afzet zal halen". Terecht heeft de rechtbank overwogen dat niet valt in te zien op welke wijze deze definitie afwijkt van de betekenis die in het algemeen aan dit begrip wordt toegekend.

2.4.    Voorts voert appellante aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aanvullende en afwijkende projectgegevens die zij tijdens de hoorzitting heeft verschaft, niet in de heroverweging betrokken hadden behoeven te worden.

2.4.1.    Appellante heeft tijdens de hoorzitting naar voren gebracht dat de Sales Engineer inmiddels andere werkzaamheden zou verrichten dan staan omschreven in het Exportplan 2003-2006. De adviescommissie heeft geconstateerd dat in de voorfase van het bestreden besluit zeer uitgebreid contact is geweest met appellante en dat zij bij vier afzonderlijke gelegenheden haar visie heeft kunnen geven over de subsidieverlening. Zij heeft toen geen enkele keer naar voren gebracht dat de feitelijke werkzaamheden van de Sales Engineer intussen waren gewijzigd. Bovendien heeft zij in de hoorzitting deze gestelde wijziging ook niet met stukken onderbouwd. De rechtbank is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding is om te oordelen dat het dagelijks bestuur het primaire besluit niet heeft heroverwogen overeenkomstig artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog van appellante faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

164-554.