Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200703111/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster]. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een aardappel- en uiengroothandel en aardappelverwerkend bedrijf en bedrijfsverzamelgebouw, aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 maart 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/1194
JOM 2009/609
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703111/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd en wonend te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster]. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een aardappel- en uiengroothandel en aardappelverwerkend bedrijf en bedrijfsverzamelgebouw, aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 15 maart 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 25 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 juli 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2007, waar [appellante a], vertegenwoordigd door C.J.M. Machielsen, [appellante b] vertegenwoordigd door haar [directeur] en C.J.M. Machielsen, en [appellant c], bijgestaan door C.J.M. Machielsen, en het college, vertegenwoordigd door F. Kabbouti en ing. H.N.G. van Dalen, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door haar [directeur], en ing. P.W. de Waard, ing. W.A.J.M. Dekkers en ir. P.H. Pellen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college heeft ter zitting gesteld dat [appellante b] niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt nu zij geen actueel belang heeft. Hiertoe voert hij aan dat er nog geen concrete plannen bestaan over de woningbouw die [appellante b] op de percelen in de nabijheid van de inrichting wil gaan ontwikkelen.

2.1.1.    Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2.    [appellante b] is van plan om op de schuin tegenover de inrichting gelegen percelen, waarvan [appellante a] eigenaar is, woningbouw te ontwikkelen. Hoewel het belang van [appellante b] door het bestreden besluit kan worden geraakt, brengt dit besluit slechts gevolgen met zich via een contractuele verhouding tussen [appellante b] en [appellante a]. Aldus heeft [appellante b] een afgeleid belang en is haar belang niet rechtstreeks bij dit besluit betrokken, zodat [appellante b] ten aanzien van het bestreden besluit niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt. Het beroep is voor zover dat door [appellante b] is ingesteld niet-ontvankelijk.

2.2.    Uit artikel 6:13 van de Awb volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijzen hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

   Nu de beroepsgronden over het ontbreken van een opsomming van de gewijzigde activiteiten in de aanvraag en de vrees dat vergunningvoorschrift 4.16 niet zal worden nageleefd geen betrekking hebben op een besluitonderdeel als hiervoor bedoeld, staat artikel 6:13 er niet aan in de weg dat deze gronden eerst in beroep worden aangevoerd. [appellante a] en [appellant c] hebben zienswijzen naar voren gebracht over geurhinder. De beroepsgronden over de vergunningvoorschriften 4.2, 4.3 en 4.4 hebben eveneens betrekking op geurhinder. Anders dan het college stelt, bestaat dan ook geen grond het beroep op deze punten niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.    [appellante a] en [appellant c] betogen dat de aanvraag om vergunning onduidelijk is en onvoldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Hiertoe voeren zij aan dat gegevens wat betreft geluid en geur ontbreken. Verder stellen zij dat niet is aangegeven welke veranderingen in de inrichting zullen plaatsvinden. Tot slot voeren zij aan dat een overzicht van de jaarproductie van te verwerken aardappelproducten en milieutechnische informatie over de vergistingsinstallatie ontbreekt.

2.3.1.    In een brief van Royal Haskoning van 20 december 2006, die deel uitmaakt van de aanvraag, is de jaarlijkse productieomvang weergegeven. Verder zijn in de aanvraag zowel de nieuwe als bestaande activiteiten in de inrichting omschreven. Het betoog mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag. Voor zover [appellante a] en [appellant c] ter zitting hebben gesteld dat gegevens over de dagproductie ontbreken overweegt de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gegevens over de jaarproductie voldoende zijn om de gevolgen voor het milieu te beoordelen. Voorts is in de aanvraag aangegeven dat de vergistingsinstallatie een gesloten systeem is, zodat hiervan geen geurhinder valt te verwachten. In hetgeen [appellante a] en [appellant c] aanvoeren over het ontbreken van gegevens over geluid en geur bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aanvraag op deze punten onvoldoende gegevens bevat.

   Hetgeen [appellante a] en [appellant c] hebben aangevoerd leidt dan ook niet tot het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Deze grond faalt.

2.4.    [appellante a] en [appellant c] betogen dat in de considerans is aangegeven dat er geen vrees voor stofhinder bestaat, terwijl voorschrift 1.7 aan de vergunning is verbonden ter voorkoming van stofoverlast. Deze grond is gericht tegen de in het bestreden besluit opgenomen overwegingen. De overwegingen dienen ter motivering van het besluit, maar roepen op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven. Deze overwegingen zijn als zodanig niet voor beroep vatbaar. Het daartegen ingestelde beroep faalt.

2.5.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.6.    Ter zitting is vastgesteld dat de beroepsgrond over de in de vergunning gestelde geluidnormen uitsluitend is gericht tegen de naleefbaarheid van deze normen. [appellante a] en [appellant c] stellen dat het akoestisch rapport van 14 december 2005, en het daarbij behorende erratum van 21 december 2006, opgesteld door Tebodin Consultants & Engineers (hierna: het geluidrapport), waarop het college zich heeft gebaseerd, op een aantal punten onjuist en onvolledig is. In dit verband voeren zij aan dat in het geluidrapport informatie over relevante geluidbronnen en bronvermogens ontbreekt, de route naar de aankomsthal onjuist is gemodelleerd en ten onrechte rekening is gehouden met een verlengde rijroute naar de noordzijde van de inrichting. Verder stellen zij dat in het geluidrapport geen rekening is gehouden met openstaande deuren. Tot slot stellen zij dat niet is onderzocht of de in voorschrift 2.7 genoemde reductie van de in voorschrift 2.6 genoemde geluidreducerende voorzieningen wel realiseerbaar is.

2.6.1.    In het geluidrapport zijn alle relevante geluidbronnen en de daarbij behorende bronsterktes en rekenpunten weergegeven. Voorts worden, zoals ook in voorschrift 2.13 is bepaald, ramen en deuren tijdens lawaaimakende werkzaamheden gesloten gehouden, zodat in het geluidrapport geen rekening behoefde te worden gehouden met openstaande deuren. Verder is ter zitting gebleken dat in het geluidrapport de juiste route naar de aankomsthal is gemodelleerd. In hetgeen [appellante a] en [appellant c] omtrent de reductie van de voorzieningen en de verlengde rijroute naar de noordzijde aanvoeren bestaat geen aanleiding om aan de uitgangspunten dan wel uitkomsten van het geluidrapport te twijfelen. Nu uit het geluidrapport volgt dat de gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Deze gronden falen.

2.7.    [appellante a] en [appellant c] stellen dat ten onrechte voorschriften met betrekking tot de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem dan wel een milieubedrijfsplan ontbreken.

2.7.1.    In artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer is - voor zover van belang - bepaald dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval betrekt het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting drijft, met betrekking tot de inrichting toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting voert.

2.7.2.    Uit artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegd gezag een milieuzorgsysteem en milieubeleid slechts bij de beslissing op de aanvraag betrekt wanneer deze binnen de inrichting aanwezig zijn. Nu deze niet in de inrichting aanwezig zijn is artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer niet van toepassing. Deze grond faalt.

2.8.    Voorts betogen [appellante a] en [appellant c] dat een aantal aan de vergunning verbonden voorschriften onjuist is. In dit verband voeren zij aan dat in voorschrift 2.1 onduidelijk is naar welke rekenpunten wordt verwezen. Verder wordt in de bij voorschrift 2.2 vermelde tabel verwezen naar het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, terwijl dit voorschrift betrekking heeft op het maximale geluidniveau. Tevens betogen zij dat door voorschrift 2.3, waarin is bepaald dat op zon- en feestdagen gedurende de dagperiode de geluidgrenswaarden voor de nachtperiode gelden, de geluidgrenswaarden ter plaatse van rekenpunt 1 en 7 ten onrechte worden verruimd en dit voorschrift bovendien in strijd met voorschrift 2.12 is.

2.8.1.    In voorschrift 2.1 wordt verwezen naar de rekenpunten uit het geluidrapport, zodat hiermee voldoende duidelijk is welke rekenpunten worden bedoeld. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat voorschrift 2.2 volledig betrekking heeft op het maximale geluidniveau, maar dat in het kopje van de bij dit voorschrift vermelde tabel abusievelijk de woorden "langtijdgemiddeld beoordelingsniveau" zijn vermeld in plaats van de woorden "maximaal geluidniveau". Er kan geen twijfel over bestaan dat voorschrift 2.2 volledig betrekking heeft op het maximale geluidniveau. Deze kennelijke verschrijving leidt derhalve niet tot rechtsonzekerheid. Deze gronden falen.

   Verder erkent het college dat voorschrift 2.3 niet de beoogde bescherming biedt en tegenstrijdig is met voorschrift 2.12, zodat hij voorstelt om voorschrift 2.3 uit het oogpunt van rechtszekerheid te laten vervallen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit met de nodige zorgvuldigheid wordt genomen. Deze grond slaagt.

2.9.    [appellante a] en [appellant c] zijn beducht voor onaanvaardbare geurhinder. Hiertoe voeren zij aan dat onvoldoende duidelijk is op welke productieprocessen de in voorschrift 4.1 gestelde geurnorm betrekking heeft. Verder stellen zij dat de in de voorschriften 4.2 en 4.3 genoemde maatregelen voor respectievelijk het uitvoeren van geurmetingen en het eisen van aanvullende maatregelen onvoldoende concreet zijn en daarmee rechtsonzeker. Tot slot stellen zij dat in voorschrift 4.4 ten onrechte het woord "geuremissie" in plaats van "geuronderzoek" is vermeld.

2.9.1.    In voorschrift 4.1 is bepaald dat nabij woningen van derden de geurnorm niet meer mag bedragen dan 2,5 ge/m3 bij 98 percentiel.

   In voorschrift 4.2 is - voor zover van belang - bepaald dat indien binnen een kort tijdsbestek meerdere gegronde geurklachten binnenkomen het college kan verlangen dat er een olfactometrische geurmeting wordt uitgevoerd.

   In voorschrift 4.3 is bepaald dat indien uit deze geurmeting blijkt dat de geurnorm wordt overschreden door het college aanvullende maatregelen kunnen worden geëist.

2.9.2.    Het college heeft verklaard dat voorschrift 4.4 in die zin een verschrijving bevat dat het woord "geuremissie" moet worden vervangen door het woord "geuronderzoek". De Afdeling is van oordeel dat geen twijfel bestaat dat in voorschrift 4.4 het woord "geuronderzoek" wordt bedoeld, zodat deze kennelijke verschrijving niet leidt tot rechtsonzekerheid. Uit voorschrift 4.1 volgt dat de gestelde geurnorm geldt voor alle activiteiten binnen de inrichting die geur veroorzaken. Uit de voorschriften 4.2 en 4.3 blijkt voldoende duidelijk wanneer een dergelijke geurmeting kan worden uitgevoerd en wanneer aanvullende maatregelen kunnen worden geëist. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante a] en [appellant c] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat deze voorschriften niet concreet zijn dan wel in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid. Deze gronden falen.

2.10.     [appellante a] en [appellant c] vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.13, 4.15 en 4.16, die onderscheidenlijk betrekking hebben op de aanwezigheid van een doelmatige naverbrandingsinstallatie van voldoende capaciteit, het minimale reductierendement van 95 procent van de naverbrander en het aanbrengen van geurreducerende maatregelen, niet worden nageleefd. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning. Deze gronden falen.

2.11.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het voorschrift 2.3 betreft.

2.12.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is ingesteld door [appellante b];

II.    verklaart het beroep voor zover het is ingesteld door [appellante a] en [appellant c] gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 6 maart 2007, kenmerk Wm 010/06, voor zover het voorschrift 2.3 betreft;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    gelast dat de gemeente Maasdriel aan [appellante a] en [appellant c] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van Leeuwen

voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

373-517.