Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200701028/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft verweerder de aanvraag van appellante om een subsidie op grond van de Subsidieregeling milieugerichte technologie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701028/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft verweerder de aanvraag van appellante om een subsidie op grond van de Subsidieregeling milieugerichte technologie afgewezen.

Bij besluit van 27 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 2 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. W. Huiberts, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desgevraagd een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 oktober 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld ter zitting van 2 november 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 24 juli 2006 heeft appellante subsidie aangevraagd voor het preconcurrentieel ontwikkelingsproject 'Milieu- en gebruiksvriendelijke voegverwijdering van oude stenen muren en bestrating met een hogedruktechniek op exacte diepte en breedte met een milieubesparende techniek' (hierna: project). Blijkens de aanvraag is de doelstelling van dit project het ontwikkelen van een techniek waarbij op milieubesparende wijze voegen van gebouwen en bestratingen worden verwijderd. Deze techniek behelst een hogedrukmachine in een mobiele opzet waarbij de voegen door middel van water onder hoge druk verwijderd worden en het afvalmateriaal met water wordt afgezogen en gefilterd.

2.2.    Voor zover appellante aanvoert dat verweerder de keuze voor het aanmerken van het project van appellante als een preconcurrentieel ontwikkelingsproject niet heeft onderbouwd, overweegt de Afdeling dat appellante, blijkens de subsidieaanvraag van 27 juli 2006, heeft aangegeven dat haar project een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft. Verweerder is gehouden op grond van de aanvraag te beslissen en is dientengevolge bij de beoordeling van de aanvraag terecht uitgegaan van de door appellante ten deze gemaakte keuze.

2.3.    Ingevolge artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de minister voor bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van het milieubeheer subsidie verstrekken.

   Op 4 februari 2004 is de ministeriële regeling Subsidieregeling milieugerichte technologie (Strct 2004, 34) (hierna: Subsidieregeling) vastgesteld.

   Ingevolge artikel 1.1, onder h van de Subsidieregeling wordt in deze regeling verstaan onder preconcurrentieel ontwikkelingsproject: samenhangend geheel van activiteiten, gericht op de omzetting van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor een nieuw, gewijzigd of verbeterd product, apparaat of systeem of een nieuwe, gewijzigde of verbeterde techniek.

   Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Subsidieregeling kan subsidie worden verleend indien de subsidieaanvrager in hoofdzaak in Nederland een project als bedoeld in artikel 1.1 uitvoert dat, mede gelet op in het tweede lid genoemde aspecten, voor zover deze van toepassing zijn, naar het oordeel van de minister in voldoende mate bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van een subsidieprogramma als bedoeld in deze regeling en het realiseren van andere doelstellingen van overheidsbeleid niet in de weg staat. Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden onder de aspecten, bedoeld in het eerste lid, voor zover hier van belang, de milieuverdienste verstaan.

   Ingevolge artikel 1.1 onder c van de Subsidieregeling wordt onder milieuverdienste verstaan: het belang van een project voor de vermindering van de belasting van het milieu. In de toelichting op het Subsidieprogramma milieu & technologie is vermeld dat het aspect 'milieuverdienste' wordt beoordeeld naar de mate waarin het desbetreffende product (apparaat, systeem of techniek) de milieubelasting vermindert ten opzichte van het in ons land gangbare product, apparaat, systeem of de in ons land gangbare techniek.

   Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling, heeft het Subsidieprogramma milieu & technologie tot doel het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van innovatieve, milieugerichte processen, producten en diensten, die nieuw zijn voor Nederland, door projecten, gericht op het onderzoeken, ontwikkelen, testen en voor de eerste keer toepassen van milieugerichte innovaties die perspectief bieden op een aanzienlijke verbetering van de milieuefficiëntie in de doelgroep industrie, of waarbij de doelgroep industrie een essentiële rol speelt.

2.4.    Appellante stelt dat haar project door verweerder wat het verwijderen van voegen uit gebouwen betreft ten onrechte met de referentietechniek van slijpen met afzuiging is vergeleken. Volgens haar zou het project vergeleken moeten worden met de techniek waarbij voegen worden verwijderd door het spuiten van water onder hoge druk zonder afzuiging en zonder hergebruik van water. Appellante voert daarnaast aan dat verweerder bij zijn beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de gestelde milieueffecten die bij toepassing van haar techniek optreden, zoals een vermindering van de uitstoot van fijn stof, een verminderd gebruik van steenmateriaal en een besparing op het water- en energieverbruik. Ter zitting heeft appellante nog aangevoerd dat de uitstoot van fijn stof door gebruikmaking van haar project met 200% vermindert.

2.4.1.    Bij de beslissing op bezwaar heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Hij heeft hiertoe overwogen dat niet is aangetoond dat de milieuverdienste van het project van appellante in voldoende mate bijdraagt aan het doel van het subsidieprogramma milieu & technologie, zoals verwoord in artikel 2.2.1, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling, en dat het project niet leidt tot een aanzienlijke verbetering van de milieuefficiëntie. Verweerder heeft de techniek van appellante voor het verwijderen van voegen van gebouwen vergeleken met de in Nederland gangbare techniek. Dit is volgens verweerder een mechanische slijper met een afzuiging waarmee voegen nagenoeg stofvrij kunnen worden uitgeslepen. Verweerder komt tot de conclusie dat er onvoldoende milieuwinst te verwachten valt van de techniek van appellante. Zo acht verweerder het energieverbruik als gevolg van de techniek van appellante bij het verwijderen van muurvoegen en vast voegwerk in bestrating hoger dan het energieverbruik van de gangbare techniek van voegverwijdering. Dit vanwege de omstandigheid dat het water op hoge druk moet worden gebracht, moet worden verpompt en het gebruikte water met het verwijderde voegmateriaal moet worden afgezogen. Voorts acht verweerder de beweerde materiaalbesparing van voegsel onvoldoende onderbouwd en wordt naar zijn mening geen water bespaard ten opzichte van de gangbare techniek. Gelet hierop heeft verweerder de aanvraag afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.

2.4.2.    Wat betreft het verwijderen van voegen uit bestrating is tussen partijen niet in geschil dat dit gebruikelijk gebeurt door middel van handmatig uithakken. Voor het verwijderen van voegen uit gebouwen volgens de stand der techniek heeft verweerder, gelet op de bevindingen in het deskundigenbericht, naar het oordeel van de Afdeling als de meest gangbare methode niet ten onrechte de methode van slijpen van de voegen met afzuiging van stof gekozen.

   De door verweerder gekozen methodes voor onderscheidenlijk voegen in bestrating en voegen in gebouwen dienen derhalve als referentiemethode voor de vraag of het project van appellante ten opzichte hiervan een vermindering van de milieubelasting oplevert. Volgens artikel 2.2.1, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling milieugerichte technologie dient een project, om subsidie te kunnen krijgen op grond van het Subsidieprogramma milieu & technologie, perspectief te bieden op een aanzienlijke verbetering van de milieuefficiëntie in de doelgroep industrie, of waarbij de doelgroep industrie een essentiële rol speelt.

2.4.3.    Het deskundigenbericht komt tot de conclusie dat het project van appellante ten opzichte van de door verweerder gekozen referentiemethodes niet leidt tot een aanzienlijke verbetering van de milieuefficiëntie wat het energie- en het waterverbruik alsmede de stofemissie betreft.

   Niet gebleken is dat deze bevinding onjuist is. De door appellante gestelde reductie van de stofemissie van 200% bij gebruik van haar techniek ten opzichte van de in het deskundigenbericht genoemde stofarme (voegen)slijper van TNO, ziet op een reductie van de stofemissie met ongeveer 0,02 mg/m³, uitgaande van een stofemissie van de genoemde stofarme (voegen)slijper van 0,03 mg/m³. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze reductie, gezien de reeds geringe stofemissie van de stofarme (voegen)slijper, niet is aan te merken als een aanzienlijke verbetering van de milieuefficiëntie op dit punt.

   Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen waaruit blijkt dat woningbouwcorporaties over het algemeen veeleer kiezen voor het slopen en wederopbouwen van woningen dan voor het vervangen of stuken van de voegen vanwege de hoge kosten hiervan.

2.4.4.    Uit het vorenstaande volgt dat verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de methode van appellante geen perspectief biedt op een aanzienlijke verbetering van de milieuefficiëntie in de doelgroep industrie, of waarbij de doelgroep industrie een essentiële rol speelt, zoals bedoeld in artikel 2.2.1, aanhef en onder b, van de Subsidieregeling milieugerichte technologie. Verweerder heeft daarom in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Heijerman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

255-495.