Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9959

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200609142/1, 200609035/1, 200609383/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Consortium Grensmaas B.V." (hierna: het Consortium) een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor het maken en behouden van werken in het rivierbed van de Maas ten behoeve van het Grensmaasproject, cluster Borgharen-Itteren.

Wetsverwijzingen
Wet beheer rijkswaterstaatswerken
Wet beheer rijkswaterstaatswerken 2
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 187 met annotatie van M.P. Jongma
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/3596
JAF 2007/86 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2009/558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609142/1, 200609035/1, 200609383/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

de Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei (BOM),

gevestigd te Meerssen, de Stichting Dorpsraad Itteren, gevestigd te Maastricht en de Buurtvereniging Voulwames,

appellanten,

en

1. De minister van Verkeer en Waterstaat,

2. Het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerders

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Consortium Grensmaas B.V." (hierna: het Consortium) een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken voor het maken en behouden van werken in het rivierbed van de Maas ten behoeve van het Grensmaasproject, cluster Borgharen-Itteren.

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) in overeenstemming met de minister aan het Consortium een vergunning verleend als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet voor het ontgronden van terreinen in het kader van het Grensmaasproject, cluster Borgharen-Itteren.

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college aan het Consortium een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van inrichtingen voor het bergen van baggerspecie en het winnen van zand en grind voor de uitvoering van het Grensmaasproject in het cluster Borgharen-Itteren.

De besluiten zijn op 9 november 2006 ter inzage gelegd.

Tegen deze besluiten hebben appellanten bij brief van 19 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 januari 2007.

Bij brief van 18 april 2007 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft deskundigenberichten uitgebracht, gedateerd 13 september 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van beide partijen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 29 oktober 2007, waar verweerders, beiden vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. De minister is verder vertegenwoordigd door P.L.M. Beenen en drs. P.D. de Boer, ambtenaren van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Het college is verder vertegenwoordigd door mr. G. Hermans, mr. R.M.P. Creemers, ing. J.J.G. Janssen, L.G.M. van Birgelen-Droog en W. Scheper, ambtenaren van de provincie Limburg. Voorts is als partij gehoord het Consortium, vertegenwoordigd door mr. D.N. Broerse, advocaat te Amsterdam en [gemachtigden].

2.    Overwegingen

Algemeen

2.1.    De besluiten zijn voorbereid met toepassing van de coördinatiebepalingen van paragraaf 14.1 van de Wet milieubeheer.

   Ingevolge artikel 21b, eerste lid, van de Ontgrondingenwet moeten de bovengenoemde besluiten voor de mogelijkheid van beroep worden aangemerkt als één beschikking.

    Ingevolge artikel 21b, derde lid, van de Ontgrondingenwet is de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd te oordelen over beroepen tegen de vergunning en de daarmee samenhangende besluiten die met toepassing van paragraaf 14.1 van de Wet milieubeheer tot stand zijn gekomen.

2.2.    De besluiten zijn genomen ten behoeve van het gedurende de dagperiode winnen van oppervlaktedelfstoffen en het herinrichten van terreinen in het kader van het project, gericht op rivierverruiming, landbouw en natuurontwikkeling. Het gebied waarbinnen het project wordt uitgevoerd zal gefaseerd worden ontgraven en ingericht.

De ontvankelijkheid van de beroepen tegen de gecoördineerd voorbereide besluiten

2.3.    Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Ontgrondingenwet kan een belanghebbende tegen een beschikking van het college van gedeputeerde staten op grond van Hoofdstuk II van deze wet beroep instellen.

   Ingevolge artikel 20.1, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen besluiten op grond van de Wet milieubeheer beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

   De Wet beheer rijkswaterstaatswerken bevat geen bepalingen omtrent het instellen van beroep tegen de krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken verleende vergunning. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.1. staat ingevolge artikel 8:1 van de Awb, voor zover hier van belang, tegen deze besluiten voor belanghebbenden beroep open bij de Afdeling.

2.4.    Het Consortium betoogt dat de Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb in deze procedure kan worden aangemerkt. Hij merkt daartoe op dat Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei geen rechtspersoonlijkheid bezit, omdat onder meer de meerzijdige rechtshandeling tot oprichting van de zogenoemde informele vereniging nimmer heeft plaatsgevonden. Daarnaast is de in de statuten opgenomen doelstelling onvoldoende concreet en te algemeen geformuleerd, aldus het Consortium.

2.4.1.    In 2002 heeft een aantal belangenorganisaties besloten tot de oprichting van een vereniging met een beperkte rechtsbevoegdheid, genaamd Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei. Daartoe hebben de oprichters een bestuur gevormd en statuten vastgesteld. Dit blijkt uit het ongetekende verslag van de oprichtingsvergadering van 3 juli 2002. In correspondentie met derden, waaronder verweerders, is de Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei naar buiten toe opgetreden onder die naam.

2.4.2.    Ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten was er al een organisatorisch verband met een bestuur en leden, terwijl het te behartigen belang vastlag in een duidelijke doelomschrijving. Voorts is in voldoende mate komen vast te staan dat de Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei op kenbare wijze zelfstandig aan het rechtsverkeer deelneemt. Anders dan het Consortium stelt, kan uit het vorenstaande, bezien in het licht van het bepaalde in artikel 3:37, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 3:59 van het BW, genoegzaam worden geconcludeerd dat de meerzijdige rechtshandeling als bedoeld in artikel 2:26 van het BW destijds was voltooid. De vereniging met een beperkte rechtsbevoegdheid was daarmee opgericht.

2.4.3.    De Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei heeft blijkens artikel 2 van de statuten tot doel de bevordering van de leefbaarheid van het Maasdal, meer in het bijzonder door het bevorderen van een evenwichtige en duurzame inrichting van het landschap volgens de wensen van de bewoners. Deze doelstelling is, in tegenstelling tot wat het Consortium stelt, voldoende specifiek en niet te algemeen geformuleerd om te concluderen dat zij door de besluiten rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Zij moet dan ook als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

2.5.    Volgens het Consortium is het beroep van de Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei tegen de vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken niet-ontvankelijk, omdat zij tegen het ontwerp daarvan geen zienswijzen heeft ingebracht.

2.5.1.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.5.2.    De Afdeling constateert dat de Vereniging Bewoners Overleg Maasvallei geen zienswijzen betreffende de vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken naar voren heeft gebracht. Gesteld noch gebleken is dat haar hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, zodat het beroep van deze appellante tegen de Wet beheer rijkswaterstaatswerken-vergunning niet-ontvankelijk is.

Aanvulling op het Provinciaal Omgevingsplan Limburg "POL-Grensmaas"

2.6.    Appellanten hebben aangevoerd dat veel meer wordt afgegraven en er veel meer ingrepen in de Maas en de Maasbodem zullen plaatsvinden dan nodig is voor de bescherming tegen hoog water, waardoor zij tijdens en na afloop van de werkzaamheden veel meer overlast zullen ondervinden van de ontgrondingen dan de rivierkundige belangen rechtvaardigen. Met name noemen zij de Itterense Waard, waarvan 16 hectare zal worden afgegraven, uitsluitend om een grindgat op te vullen en af te dekken. Volgens hen leiden  de overmatige ontgrondingen tot verhoogde stroomsnelheden die vervolgens kade- en oeverversterking noodzakelijk maken. Ook is voorbijgegaan aan de waterstandverlagende effecten van werkzaamheden bij de Vlaamse locaties, in het bijzonder de rivierverruiming bij Herbrigt. De overmatige ontgrondingen leiden ook tot veel tijdelijke obstakels zoals ringdijken en opslagplaatsen voor toutvenant. Volgens hen wordt dit met name veroorzaakt door het beginsel van budgetneutraliteit, waardoor de bedrijfsbelangen van het Consortium in alle opzichten boven het algemeen belang en de belangen van omwonenden zijn gesteld en op grond waarvan verweerders ten onrechte hebben gekozen voor het Voorkeursalternatief 2003 uit de Mer, zonder de alternatieven te onderzoeken. Daarom verzoeken zij de voorgenomen ontgrondingen alsnog te heroverwegen en om niet meer grindwinning toe te staan dan nodig is ter bescherming tegen hoog water.    

2.6.1.    Bij besluit van 1 juli 2005 hebben provinciale staten van Limburg, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van 24 mei 2005, de aanvulling van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg "POL Grensmaas" (hierna: de POL-aanvulling) vastgesteld. De POL-aanvulling voorziet in een nieuwe ruimtelijke structuur voor het Grensmaasgebied.

   Met de POL-aanvulling worden drie doelstellingen beoogd:

a. beperking van de wateroverlast;

b. grootschalige natuurontwikkeling en ecologisch herstel van de rivier;

c. de winning van grind om te voldoen aan de bestuursovereenkomsten (van

  1990 en 1997) tussen Rijk en provincie.

Deze doelstellingen moeten integraal en budgetneutraal worden uitgevoerd en zullen met name worden bereikt door de verwezenlijking van ontgrondingslocaties ter verbreding van de rivier. Daarnaast zijn locaties voorzien die na grindwinning fungeren als dekgrondberging. Deze zullen na ontgronding worden opgevuld met alle niet-vermarktbare gebiedseigen grond die vrijkomt bij de rivierverbreding en de aanleg van de dekgrondbergingen zelf.

2.6.2.    Ter invulling van de eerdergenoemde doelstellingen, daarbij de randvoorwaarde van budgetneutraliteit in acht nemende, is aan de hand van het in het MER Grensmaas van februari 2003 weergegeven voorkeursalternatief 2003 de volgende concrete beleidsbeslissing als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in de POL-aanvulling opgenomen:

"De besluiten ten aanzien van de aanwijzing van de gronden, gelegen binnen het plangebied en zoals aangegeven op de bijbehorende plankaarten, tot 'natuur na ontgronding', 'natuur na ontgronding en opvulling' en 'landbouw na ontgronding en opvulling' worden aangemerkt als concrete beleidsbeslissing."

2.6.3.    Met deze concrete beleidsbeslissing is de omvang van de nieuwe ruimtelijke structuur in het Grensmaasgebied vastgelegd. Bij uitspraak van 7 februari 2007, nr. 200507378/1, voor zover hier van belang, heeft de Afdeling de beroepen tegen de in de POL-aanvulling Grensmaas vervatte concrete beleidsbeslissing ongegrond verklaard.

2.6.4.    De gecoördineerd voorbereide besluiten strekken tot uitvoering van het project. Bij het nemen van deze besluiten moesten verweerders uitgaan van de in de POL-aanvulling vervatte concrete beleidsbeslissing. Tegen die beleidsbeslissing kan in deze procedure geen beroep worden ingesteld. De in dat verband aangevoerde beroepsgronden kunnen daarom geen doel treffen.

De vergunning op grond van de Ontgrondingenwet

2.7.    Appellanten betogen dat reeds bij het verlenen van de vergunning inzicht dient te bestaan in de wijze waarop de verwijdering van zwerfvuil afkomstig uit de Maas na inrichting van het gebied in organisatorisch en financieel opzicht vorm wordt gegeven.

2.7.1.    In voorschrift 5.2 van de ontgrondingsvergunning is bepaald dat de terreinen na inrichting en oplevering moeten worden overgedragen aan de natuurbeherende instantie die daarvoor is aangewezen. De houdster van de vergunning moet gedurende de looptijd van de vergunning, maar uiterlijk 2 jaar voor afloop van de vergunningstermijn, in overleg met de betrokken eindbeheerder(s) een beheersregeling opstellen en deze ter goedkeuring voor te leggen bij Gedeputeerde Staten. De regeling dient te voorzien in een aanpak voor het integrale beheer door de betrokken beheersinstanties waarin is voorzien in de instandhouding van het gebied conform de doelstellingen van het plan volgens het POL en het Natuurgebiedsplan. Het natuurbeheer dient zodanig plaats te vinden dat het gewenste beschermingsniveau aan beide zijden van de Maas wordt behouden. In de regeling dient tevens te worden voorzien in de aanpak van zwerfvuil.

2.7.2.    Uit voorschrift 5.2 van de vergunning volgt dat uiterlijk twee jaar vóór afloop van de werkzaamheden een beheersplan dient te zijn opgesteld, waarin in de aanpak van zwerfvuil is voorzien. Gezien het met deze beheersregeling te dienen doel, dat ziet op het beheer van het gebied na inrichting en oplevering van het gebied, is in hetgeen appellanten betogen geen grond gelegen voor het oordeel dat het college in redelijkheid al op het tijdstip van vergunningverlening een beheersregeling inclusief de aanpak van zwerfvuil had moeten verlangen. Het Consortium dient overigens de beheersregeling als bedoeld in voorschrift 5.2 van de vergunning ter goedkeuring aan het college voor te leggen. Tegen het goedkeuringsbesluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.

   Deze beroepsgrond faalt.

2.8.    Appellanten voeren aan dat de vergunning krachtens de Ontgrondingenwet in strijd is met artikel 7a van die wet, omdat geen structuurschema oppervlaktedelfstoffen als bedoeld in dat artikel van kracht was ten tijde van het bestreden besluit.

2.8.1.    Ingevolge artikel 7a van de Ontgrondingenwet wordt met betrekking tot de oppervlaktedelfstoffenvoorziening door middel van ontgrondingen een plan vastgesteld als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, genaamd structuurschema oppervlaktedelfstoffen. Het structuurschema bevat de hoofdlijnen en beginselen van het beleid inzake de winning van vaste stoffen in Nederland door middel van ontgrondingen, alsmede het beleid ter bevordering van de toepassing van zodanige vaste stoffen vervangende materialen teneinde de winning van vaste stoffen te beperken. Het wordt telkens voor vijf jaar vastgesteld.

2.8.2.    Door middel van een structuurschema als bedoeld in artikel 7a van de Ontgrondingenwet in samenhang bezien met artikel 2a van de Wet op de ruimtelijke ordening kunnen de hoofdlijnen en beginselen van rijksbeleid worden vastgelegd. Als een structuurschema is vastgesteld dient het college van gedeputeerde staten daarmee rekening te houden bij het opstellen van streekplannen. Het bestaan van een structuurschema is echter geen voorwaarde voor het verlenen van een ontgrondingenvergunning of voor de uitoefening van enige andere provinciale bevoegdheid. Indien, zoals hier het geval is, een nieuw plan niet is vastgesteld, vloeit uit de Ontgrondingenwet niet voort dat daarin een weigeringsgrond in het kader van de vergunningverlening is gelegen.

   Deze beroepsgrond faalt.

2.9.     Appellanten vrezen overlast van muggen omdat als gevolg van de afdekking van de dekgrondbergingen onder het huidig maaiveldniveau er een toename zal zijn van stilstaand water. Volgens hen had aan de vergunning de eis moeten worden verbonden dat een snelle afwatering zal plaatsvinden.

2.9.1.    In voorschrift 5.1 van de ontgrondingsvergunning is bepaald dat  uiterlijk twee jaar na de aanvang van de werkzaamheden een plan voor de eindtoestand moet worden opgesteld, dat aan het college van gedeputeerde staten ter goedkeuring dient te worden voorgelegd. In dat plan moet worden uitgegaan van de terreininrichting en het terreinbeheer zoals beschreven op de in dat voorschrift genoemde tekeningen die bij de aanvraag behoren.

2.9.2.    Bij het vaststellen van het plan van de eindtoestand zullen de in dat voorschrift genoemde overzichtstekeningen als uitgangspunt dienen. Volgens het verhandelde ter zitting, waar die tekeningen zijn toegelicht, wordt in dat kader onder meer vastgesteld hoe de afdekking van de dekgrondberging plaatsvindt, waarbij de afwatering van de desbetreffende gebieden een rol dient te spelen.

   Het desbetreffende plan moet door het Consortium ter goedkeuring aan het college worden voorgelegd. Tegen het goedkeuringsbesluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend. Het bezwaar van appellanten kan in dat kader naar voren worden gebracht. Deze beroepsgrond faalt.

De vergunning op grond van de Wet milieubeheer

Bodem

2.10.    Volgens appellanten is het Grensmaasproject in strijd met de Europese Grondwaterrichtlijn 80/66/EEG (hierna: de Grondwaterrichtlijn), omdat verontreinigde dekgrond wordt verplaatst naar plaatsen die niet of minder verontreinigd zijn.

2.10.1.    Niet in geschil is dat het opvullen van de dekgrondbergingen is aan te merken als een indirecte lozing als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder c, van de Grondwaterrichtlijn, nu als gevolg van het opvullen van de dekgrondbergingen met verontreinigd sediment stoffen van lijst I van de bijlage bij de richtlijn na het doorsijpelen door de bodem in het grondwater terecht zouden kunnen komen.

2.10.2.    Het Consortium en het college hebben zich op het standpunt gesteld dat de Grondwaterrichtlijn, gelet op artikel 2, aanhef en onder b, daarvan, niet van toepassing is op het opvullen van de dekgrondbergingen, omdat verontreiniging van het grondwater in feite uitgesloten kan worden geacht.

2.10.3.    Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de Grondwaterrichtlijn, is de richtlijn niet van toepassing op lozingen ten aanzien waarvan door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat wordt geconstateerd, dat zij stoffen van lijst I of II in zulk een geringe hoeveelheid en concentratie bevatten, dat elk gevaar voor een verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten.

   Uit het milieu-effectrapport "MER dekgrondbergingen Grensmaas" van 2006 (hierna: het milieu-effectrapport) blijkt dat verontreinigingen vanuit de in het geding zijnde dekgrondbergingen naar het ontvangende grondwater doorsijpelen, hetgeen wordt bevestigd door het deskundigenbericht. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat in verband met de vergunde activiteit een belangrijk gevaar voor een verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten. In zoverre bestaat, mede gezien het deskundigenbericht, geen grond voor het oordeel dat de Grondwaterrichtlijn niet van toepassing is op de hiervoor genoemde activiteiten.

2.10.4.    Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, van de Grondwaterrichtlijn treffen de lidstaten de nodige maatregelen om de inleiding van stoffen van lijst I in het grondwater te verhinderen.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en tweede gedachtestreepje, onderwerpen de lidstaten, om te voldoen aan de in artikel 3, onder a, genoemde verplichting, handelingen waarbij stoffen van lijst I worden verwijderd of met het oog op de verwijdering ervan worden gestort en die een indirecte lozing tot gevolg kunnen hebben aan een voorafgaand onderzoek. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek verbieden de lidstaten deze handelingen of geven zij een vergunning af, mits alle technische voorzorgsmaatregelen die nodig zijn om die lozing te verhinderen in acht worden genomen.

2.10.5.    Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) moet ter bepaling van de werking van een richtlijn een onderscheid worden gemaakt tussen een correcte en een incorrecte implementatie van die richtlijn. In geval van correcte implementatie bereikt de werking van een richtlijn de particulieren via de door de betrokken lidstaat getroffen uitvoeringsmaatregelen.

   Slechts indien een richtlijn, na afloop van de implementatieperiode, niet, niet-tijdig of onjuist is geïmplementeerd, kan een particulier een rechtstreeks beroep op die richtlijn doen en dan nog alleen op de bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn bepaald (arrest 8/81, Becker, Jur. 1992, p. 59 e.v. op p. 70-71). Hetzelfde geldt indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd (arrest C-62/00, Marks & Spencer, Jur. 2002, p. I-6325 e.v. op p. 6358-6359, ov. 26-27).

   Volgens vaste jurisprudentie van het Hof dienen de rechterlijke instanties van de lidstaten de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen uit de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht voortvloeit (arrest C-312/93, Peterbroeck, Jur. 1995, p. I-4599 e.v. op

p. 4620, ov. 12).

   Uit het vorenstaande blijkt, dat de vraag naar de rechtstreekse werking van de bepalingen van een richtlijn alleen kan rijzen in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd.

2.10.6.    Niet is gebleken dat de Grondwaterrichtlijn, voor zover het de door appellanten aan de orde gestelde aspecten betreft, op incorrecte wijze is geïmplementeerd in het nationale recht. Daartoe overweegt de Afdeling dat de Wet milieubeheer voorziet in een vergunningstelsel voor activiteiten die kunnen leiden tot een indirecte lozing in het grondwater, zoals het lozen vanuit de dekgrondbergingen, waarbij in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Gezien het vorenstaande kan een rechtstreeks beroep op de Grondwaterrichtlijn niet aan de orde zijn. Deze beroepsgrond faalt.

2.10.7.    De vraag of onderzoek is gedaan en voldoende maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat verontreinigingen vanuit de dekgrondbergingen doorsijpelen in het grondwater wordt hieronder onderzocht in het kader van de beoordeling van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer.

2.10.8.    Ten aanzien van die vraag stelt de Afdeling vast dat het college het Beleidsstandpunt Verwijdering Baggerspecie van 13 oktober 1993 (hierna: het BVB) tot uitgangspunt heeft genomen.

   De richtlijnen uit het BVB zien op de berging van baggerspecie dat vrijkomt bij het onderhoud van vaarwegen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de emissie uit de stortplaats dient te worden geminimaliseerd door het treffen van voorzieningen ten behoeve van het isoleren, beheersen en controleren van de verontreinigingen. Welke voorzieningen getroffen dienen te worden, wordt beoordeeld op basis van een toets, waarbij in de eerste plaats toetsing plaatsvindt van het uittredende poriewater aan de streefwaarden voor grondwater. Indien de streefwaarden in het poriewater worden overschreden, dient vervolgens toetsing van de emissie uit de stortplaats plaats te vinden aan een maximale flux (de emissie per oppervlakte-eenheid per tijdseenheid). Indien niet aan deze flux kan worden voldaan, dient een afweging tussen verschillende varianten en locaties te worden gemaakt om na te gaan of hiermee wel aan de maximale flux wordt voldaan. Als dit in het betreffende gebied niet mogelijk is, dan dient met toepassing van de beste beschikbare technieken de emissie zoveel mogelijk te worden gereduceerd.

   In de dekgrondbergingen wordt dekgrond gestort die verontreinigd  is door verontreinigd sediment van de Maas zodat, gezien het doel waarvoor het BVB is opgesteld, deze berging met een baggerspeciedepot gelijk kan worden gesteld. Gelet daarop heeft het college in redelijkheid het BVB tot uitgangspunt kunnen nemen.

2.10.9.    Uit het milieu-effectrapport blijkt dat de maximale flux voor beide dekgrondbergingen wordt overschreden, zodat maatregelen nodig zijn om   de emissie naar de bodem zoveel mogelijk te reduceren. Daartoe is in het milieu-effectrapport onderzocht welke maatregelen kunnen worden getroffen om emissie dan wel verspreiding van verontreinigingen uit de dekgrondbergingen zoveel mogelijk te beperken. Bij dit onderzoek zijn tevens de kosten van de maatregelen betrokken. Volgens dat rapport wordt de verspreiding uit de dekgrondberging te Borgharen sterk beperkt doordat de bodem ter plaatse zeer weinig doorlatend is. In Itteren wordt de verspreiding verder beperkt door het kleibentonietscherm dat ter plekke noodzakelijk is vanwege de nabijheid van het Julianakanaal, welk scherm aansluit op een weinig doorlatende lemige ondergrond.

2.10.10.    Het college heeft aan de vergunning krachtens de Wet milieubeheer voorschriften verbonden om verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk te beperken. In hoofdstuk 6.b van de milieuvergunning zijn voorschriften opgenomen waarin, kort weergegeven, is bepaald dat de kwaliteit van de te bergen grond moet worden getoetst, de dekgrondberging dient te worden afgedekt met een erosiebestendige deklaag en het Consortium een plan moet indienen waarin is aangegeven op welke wijze en met welke frequentie het grondwater zal worden gemonitord. Daarnaast heeft hij in voorschrift 6a.21 van de milieuvergunning voorgeschreven dat het Consortium eveneens een plan moet indienen waarin is aangegeven op welke wijze indringing van hemelwater in de dekgrondbergingen zoveel mogelijk zal worden beperkt.

    Ter zitting is naar voren gebracht dat de afwerking zou kunnen bestaan uit het aanbrengen van profiel op de deklaag, waardoor het water kan afstromen naar de Maas. In de considerans van het besluit is naar voren gebracht dat indringing van hemelwater ook voorkomen kan worden door de aanleg van eenvoudige drainagevoorzieningen. Ten slotte moeten de in dienen plannen ter goedkeuring aan het college worden voorgelegd. Tegen een goedkeuringsbesluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.

2.10.11.    De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in dit geval, waarin de verspreiding van verontreiniging al beperkt wordt door de in overweging 2.11.9 genoemde omstandigheden, in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat hij voldoende maatregelen heeft voorgeschreven om verspreiding van verontreiniging in het grondwater te voorkomen. De beroepsgrond faalt.

Stof

2.11.    Appellanten vrezen hinder en gezondheidsschade ten gevolge van stof, met name als gevolg van het gebruik van de werkweg ten zuiden van de bebouwde kom van Itteren.

2.11.1.    Ter voorkoming dan wel beperking van hinder vanwege grof stof heeft het college in de vergunning in hoofdstuk 6c voorschriften gesteld.

   Het college heeft bij de beoordeling van het stofaspect paragraaf 3.8.1 van de Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht (hierna: de NeR) als toetsingskader gehanteerd. In deze paragraaf zijn richtlijnen gegeven voor de diffuse stofemissie bij verwerking, bereiding, transport, laden en lossen alsmede opslag van stuifgevoelige stoffen. Als uitgangspunt is daarin neergelegd dat geen direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding mag plaatsvinden. Daartoe wordt in de NeR een aantal maatregelen aanbevolen. In de NeR wordt voorts aanbevolen om de activiteiten voor een bepaalde periode te staken, indien ondanks getroffen maatregelen toch in de onmiddellijke nabijheid van de bron visueel duidelijk waarneembare stofverspreiding optreedt. De stoffen die in de inrichting worden aangevoerd of bewerkt, behoren tot de stuifklasse S4 als bedoeld in de NeR.    

   Volgens het college komen de voorgeschreven maatregelen overeen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

2.11.2.    Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. De NeR is als document opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij de regeling.

   Gelet hierop kon het college zich bij het stellen van voorschriften baseren op de NeR, ervan uitgaand dat de voorgeschreven maatregelen dan overeenkomen met de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

2.11.3.    Om direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding te voorkomen, heeft het college de door de NeR aanbevolen maatregelen als  voorschriften aan de vergunning verbonden.

   In de voorschriften 6.c.1, 6.c.2 en 6.c.4, is, kort weergegeven, bepaald dat waarneembare stofverspreiding buiten de inrichting moet worden voorkomen. Het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij daarmee niet heeft beoogd om het uitgangspunt van de NeR, dat geen direct bij de bron visueel waarneembare stofverspreiding mag plaatsvinden, te verlaten. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

   Deze beroepsgrond slaagt in zoverre.

Geluid

2.12.    Appellanten vrezen geluidoverlast van de inrichting. Volgens hen mag in ieder geval de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de circulaire Natte grindwinning niet worden overschreden.

2.12.1.    De Afdeling stelt vast dat de circulaire Natte grindwinningen, waarin een voorkeursgrenswaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau  is opgenomen van 50 dB(A) op de gevels van woningen, een toetsingskader biedt om op grond van een bestuurlijke afweging een geluidbelasting toe te staan van ten hoogste 60 dB(A). Het college heeft die circulaire toegepast in die zin, dat bij clusters van twintig of meer woningen de geluidbelasting niet hoger mag zijn dan 55 dB(A) en dat waarden tussen 55 en 60 dB(A) alleen zijn toegestaan bij kleinere clusters woningen. De Afdeling acht het toepassen van de circulaire Natte grindwinning aanvaardbaar. Anders dan appellanten kennelijk menen, sluit die circulaire niet uit dat het geluid mag uitkomen boven de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).

   In dit geval geldt op één van de 25 immissiepunten in voorschrift 6.d8 een grenswaarde van 56 dB(A) en op de overige een waarde tussen 50 en 55 dB(A). Volgens het deskundigenbericht treden geluidniveaus tot aan die grenswaarden slechts op wanneer de uitvoeringswerkzaamheden, die niet steeds op de zelfde plek plaatsvinden, dicht bij het desbetreffende immissiepunt worden verricht. Dat is voor de meeste van die punten enkele weken het geval. Waar nodig en mogelijk worden er in die periode tijdelijke afschermende maatregelen getroffen. Buiten die relatief korte periode blijft de geluidbelasting overwegend onder de voorkeursgrenswaarde. Daarom heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het besluit toereikende bescherming biedt tegen geluidhinder. De beroepsgrond faalt.

Laagfrequent geluid

2.13.    Appellanten vrezen overlast door laagfrequent geluid.

2.13.1.    Volgens voorschrift 6.d.2 mag het laagfrequent geluidspectrum van de in te zetten grindwinwerktuigen de in het voorschrift weergegeven tertsbandniveaus niet overschrijden.

   In voorschrift 6.d.5 is bepaald dat, kort weergegeven, indien blijkt dat de beide in te zetten winwerktuigen een laagfrequent geluidspectrum hebben waardoor bij cumulatie van beide spectra een overschrijding van de in voorschrift 6.d.2 opgenomen norm mogelijk is, maatregelen getroffen dienen te worden die deze mogelijk gecumuleerde overschrijding teniet doen.

   Volgens voorschrift 6.d.6 mag, voor zover hier van belang, het betreffende grindwinwerktuig niet in gebruik worden gesteld indien niet kan worden voldaan aan de gestelde grenswaarden voor het akoestisch bronvermogen en/of de tertsbanden voor laagfrequent geluid.

2.13.2.    De Afdeling is van oordeel, mede gezien het deskundigenbericht, dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de genoemde voorschriften voldoende zijn om onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid te voorkomen. Deze beroepsgrond faalt.

Visuele hinder

2.14.    Appellanten stellen dat de zeecontainers die worden geplaatst als geluidsscherm, horizonvervuiling opleveren.

2.14.1.    De vraag of zich visuele hinder voordoet, komt primair aan de orde in het kader van planologische regelingen. Daarnaast blijft in het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. De Afdeling neemt op grond van het deskundigenbericht aan dat het gebruik van zeecontainers doelmatig en niet ongebruikelijk is om het geluid van tijdelijke activiteiten af te schermen. In dit geval zullen de containers steeds worden verplaatst naar de locatie waar op dat moment de werkzaamheden plaatsvinden, waardoor niemand vanuit zijn woning langdurig uitzicht heeft op die containers. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zichtbaarheid van die containers vanuit omliggende woningen niet in de weg behoefde te staan aan de verlening van de gevraagde vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgrond faalt.

Schade

2.15.    Appellanten vrezen schade aan woningen en gebouwen als gevolg van zowel trillingen als van zettingen door verdroging en vernatting. Volgens hen is de voor dit project opgestelde schaderegeling niet toereikend.

2.15.1.    Volgens het deskundigenbericht is op grond van de berekeningen van het college geen trillingsschade of schade door zettingen te verwachten. Niettemin zal het Consortium bij alle woningen binnen 250 meter van die werkzaamheden nulopnamen maken, die bestaan uit het nemen van foto's, het doen van opnamen en het plaatsen van hoogtemerken, om de situatie vóór het uitvoeren van de activiteiten te kunnen vergelijken met de situatie nadien. De Afdeling ziet in de feiten en omstandigheden van dit geval dan ook geen aanleiding om te oordelen dat in het besluit ten onrechte geen financiële compensatie wordt geboden voor door deze appellanten te lijden schade. Omdat echter niet is uit te sluiten dat schade kan optreden bij het uitvoeren van de werkzaamheden is er, naast het bestaan van de relevante wettelijke schaderegelingen, in het kader van de uitvoering van het project een schadevergoedingsfonds opgericht. Daarbij is voorzien in een procedure voor de afhandeling van schadeverzoeken door middel van een centraal meldpunt, waarbij de beoordeling zal geschieden door een onafhankelijke commissie. Voor verzoeken om schade tot een bedrag van € 50.0000,00 geldt voor de indiener een verminderde bewijslast ten aanzien van het oorzakelijk verband en voor de hoogte van de schade.

   Aldus is voorzien in compensatiemogelijkheden en nu het schadevergoedingsfonds geen deel uitmaakt van de in het geding zijnde besluiten, kan het betoog van appellanten over de werking van dit fonds dan ook niet leiden tot vernietiging van die besluiten.

   Deze beroepsgrond faalt.

Conclusie

2.16.    De beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn gegrond voor zover deze zijn gericht tegen de voorschriften 6.c1, 6.c2 en 6.c4 van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Dat besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak op onderdelen in de plaats treedt van het hiervoor genoemde besluit, voor zover dat is vernietigd.

Voor het overige zijn de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

2.17.    Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van de Vereniging Bewoners Overleg  Maasvallei tegen de vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken niet-ontvankelijk;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 31 oktober 2006, kenmerk 2006/5684, wat betreft de voorschriften 6.c1, 6.c2 en 6.c4";

III.    bepaalt dat de volgende voorschriften aan het besluit van 31 oktober 2006 met kenmerk 2006/5684 worden verbonden:

- Voorschrift 6.c.1 komt te luiden:

"Wanneer door meteorologische omstandigheden duidelijk waarneembare stofverspreiding bij de bron ontstaat of kan ontstaan, dient dit door middel van voldoende en doelmatige besproeiing of anderszins voorkomen of opgeheven te worden."

- Voorschrift 6.c.2 komt te luiden:

"Het laden en lossen en het transport binnen de inrichting van stuifgevoelig materiaal moet zodanig geschieden dat geen duidelijk waarneembare stofverspreiding bij de bron kan optreden."

- Voorschrift 6.c.4 komt te luiden:

"Teneinde verspreiding van stof bij de bron te voorkomen moet voorzien zijn in voldoende aantal en tijdig kunnen worden beschikt over doelmatig werkende (mobiele) watersproei-installaties die in geval dit noodzakelijk is, het betreffende terreingedeelte voldoende bevochtigen. Transportwegen moeten, minimaal bij gebruik, voortdurend nat worden gehouden."

bepaalt dat deze uitspraak op de onderdelen vermeld onder III in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    gelast dat de provincie Limburg aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Stolker

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

157-539.