Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9958

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200700134/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een paardenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 november 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/565
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700134/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Schijndel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een paardenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 november 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien zijn nadere stukken van appellanten en [vergunninghouder] ingekomen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door A.P.W.M. Jans, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [vergunninghouder], in persoon en bijgestaan door mr. L.M. Schelstraete, adocaat te Tilburg, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2.    Gezien de hiervoor weergegeven artikelen staat ter beoordeling of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting veroorzaakt niet nopen tot het weigeren van de vergunning of tot het daaraan verbinden van verdere voorschriften. Hetgeen appellanten in beroep aanvoeren heeft geen betrekking op deze vraag, maar ziet op aspecten die verband houden met planologie en kwesties van handhaving. Deze aspecten kunnen evenwel geen grondslag zijn voor het oordeel dat het in dit geding aan de orde zijnde besluit tot verlening van de milieuvergunning onrechtmatig is.

2.3.    Het beroep is ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Van der Zijpp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

262-491.