Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9953

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200702322/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2006 heeft de gemeenteraad van Leek het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Leeksterveld fase 1, herziening ex artikel 30 WRO", vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702322/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], wonend te [woonplaats], en anderen,

2.    De vereniging "Dorpsvereniging Midwolde", gevestigd te Midwolde, gemeente Leek,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2006 heeft de gemeenteraad van Leek het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Leeksterveld fase 1, herziening ex artikel 30 WRO", vastgesteld.

Bij besluit van 30 januari 2007, kenmerk 2006-14.130/5/B.3, RP, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 27 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2007, en appellante sub 2 bij brief van 31 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2007, beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brieven van 16 april 2007 en 27 april 2007.

Verweerder heeft bij brief van 11 juni 2007 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

Voor afloop van het vooronderzoek is van het gemeentebestuur van Leek een nader stuk ontvangen. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek is van het gemeentebestuur van Leek een nader stuk ontvangen. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2007, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [appellante sub 1] en appellante sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en verweerder, vertegenwoordigd door A.H. Wiechertjes, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij de gemeenteraad van Leek gehoord, vertegenwoordigd door S.P. van Sloten, ambtenaar van de gemeente, en S. de Schiffart, werkzaam bij DHV.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet ondermeer in de mogelijkheid langs de Noorderweg in- en uitritten aan te leggen ten behoeve van de ontsluiting van een aantal bedrijfskavels op het te ontwikkelen bedrijventerrein Leeksterveld, fase 1.

2.2.    Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

2.2.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2.    Ter zitting is gebleken dat [appellante sub 1] op ten minste 1500 meter afstand van het plangebied woont. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat, ondanks deze afstand, een objectief en persoonlijk belang van [appellante sub 1] rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt.

2.2.3.    Gezien het voorgaande kan [appellante sub 1] niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.2.4.    Het beroep van appellanten sub 1, voor zover ingediend door [appellante sub 1], is dan ook niet-ontvankelijk.

2.3.    Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "in-/uitritten toegestaan" direct ten zuiden van de Noorderweg. Zij voeren daartoe aan dat aan de in- en uitritten aan de Noorderweg geen behoefte is en dat als gevolg van de verwezenlijking ervan een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. Appellanten sub 1 voeren daarnaast aan dat wethouder Fellinger op een participatieavond op 29 mei 2002 heeft toegezegd dat er een groenstrook zou komen in de vorm van een bossage/houtwal aan de Noorderweg. Aan deze toezegging is volgens appellanten ten onrechte geen gevolg gegeven.

2.5.    Ten aanzien van het beroep van appellanten sub 1 op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een wethouder, maar bij de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.6.    Anders dan appellanten sub 1 lijken te veronderstellen kan aan de hand van de plankaart worden vastgesteld dat het onderhavige bestemmingsplan niet voorziet in de mogelijkheid calamiteitenuitgangen aan te leggen.

   Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Leeksterveld fase I", voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor groenvoorzieningen aangewezen gronden bestemd voor calamiteitenontsluitingen ter plaatse van de aanduiding "calamiteiten ontsluiting". De aanduiding "calamiteiten ontsluiting" is in vaaggrijze kleur op de plankaart bij het hier aan de orde zijnde bestemmingsplan "Bedrijventerrein Leeksterveld fase 1, herziening ex artikel 30 WRO" aangegeven, terwijl alleen de in rode kleur aangegeven aanduidingen in dit plan zijn opgenomen. De in vaaggrijs opgenomen gedeelten van de plankaart vallen buiten de plangrens en zijn uitsluitend opgenomen om de samenhang tussen dit plan en het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Leeksterveld fase I" aan te geven.

2.7.    In de plantoelichting staat dat de in- en uitritten zijn toegestaan ten behoeve van de bedrijven die grenzen aan de Noorderweg om de voorzijde van de bedrijven in de richting van de Noorderweg te kunnen situeren, passende in een voor de omgeving karakteristieke lintbebouwing. Verweerder stelt zich op het standpunt dat vanwege deze overwegingen van de gemeenteraad behoefte bestaat aan de in- en uitritten op deze plaats en dat de keuze van de gemeenteraad voor ontsluiting van bedrijven aan de noordzijde van het bedrijventerrein Leeksterveld, fase I, niet onaanvaardbaar is. Ter zitting heeft verweerder benadrukt dat het tegengaan van "verrommeling" langs de randen van bedrijventerreinen de reden geweest is om de bedrijven die zich langs de Noorderweg vestigen ook op deze weg te oriënteren en te ontsluiten.

2.7.1.    Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat "verrommeling" langs de Noorderweg zoveel mogelijk tegengegaan zou moeten worden. Hij heeft in zijn overwegingen evenwel onvoldoende gemotiveerd waarom voor het tegengaan van "verrommeling"  oriëntatie van de voorzijde van bedrijven op de Noorderweg de enig denkbare oplossing is. Tevens heeft hij hierbij onvoldoende betrokken dat oriëntatie van bedrijven op de Noorderweg niet meebrengt dat deze bedrijven ook noodzakelijkerwijs via de Noorderweg ontsloten moeten worden.

2.7.2.    Dit gebrek in de motivering klemt te meer, nu verweerder op het moment dat hij het bestreden besluit nam beschikte over het door appellanten overgelegde rapport "Verkeersonderzoek Noorderweg, Onderzoek in het kader van het bestemmingsplan Leeksterveld", opgesteld door Advies- en ingenieursbureau Oranjewoud, gedateerd 16 maart 2006 (hierna: het rapport). Het rapport stelt in de eerste plaats dat een forse toename van de verkeersintensiteit op de Noorderweg zal optreden bij realisatie van de in- en uitritten aan de Noorderweg. De beoogde in- en uitritten langs de Noorderweg worden in het rapport als kwalitatief onveilig aangemerkt omdat het aantal conflictpunten er significant door toeneemt en omdat het aantal ongevallen per voertuigkilometer oploopt bij toename van het aantal erfontsluitingen voor bedrijven. Verder concludeert het rapport dat de kans op kop-staart en flankongevallen door de beoogde in- en uitritten toeneemt omdat in de ochtendspits conflicten ontstaan tussen woon-werk- en bevoorradingsverkeer tussen de snelweg A7 en de nieuwe bedrijven aan de Noorderweg enerzijds en een grote verkeersstroom uit Boerakker richting de aansluiting met de snelweg A7 anderzijds. Ook concludeert het rapport dat de positie van landbouwverkeer en fietsers, waaronder schoolgaande fietsers, verslechtert door toename van het verkeer op de Noorderweg.

   Gelet op de hierboven geconstateerde onvoldoende deugdelijke motivering met betrekking tot de noodzaak van in- en uitritten langs de Noorderweg, de twijfels die het rapport oproept ten aanzien van de verkeersveiligheid ter plaatse en de omstandigheid dat de Noorderweg een smalle weg is met een verhardingsbreedte van 5 meter, heeft verweerder zich in zijn besluit ook niet zonder nader onderzoek naar de verkeerskundige gevolgen van het plan op het standpunt kunnen stellen dat een ernstige verslechtering van de verkeersveiligheid zich niet zal voordoen.    

2.7.3.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en dat het niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding "in-/uitritten toegestaan", direct ten zuiden van de Noorderweg. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

   Aan het eerst in beroep door de raad ingediende rapport verbindt de Afdeling geen gevolgen voor de uitkomst van deze procedure, nu verweerder er geen blijk van heeft gegeven de conclusies van dit rapport, die overigens niet eenduidig over de verkeersveiligheid zijn, over te nemen.    

2.7.4.     Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 1, voor zover ingediend door [appellante sub 1] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 1, voor zover ontvankelijk, en het beroep van appellante sub 2 gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 30 januari 2007, kenmerk 2006-14.130/5/B.3, RP, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding

"in-/uitritten toegestaan", direct ten zuiden van de Noorderweg;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten, voor appellanten sub 1 tot een bedrag van € 43,10 (zegge: drieënveertig euro en tien cent), en voor appellante sub 2 tot een bedrag van € 44,54 (zegge: vierenveertig euro en vierenvijftig cent); het dient door de provincie Groningen aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Groningen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 1 en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor appellante sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

280-547.