Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BB9942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
200702985/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graft-de Rijp (hierna: het college) geweigerd bouwvergunningen te verlenen voor het oprichten van twee bedrijfswoningen en stallencomplexen op gronden gelegen aan de Groeneweg, kadastraal bekend gemeente Graft-de Rijp, sectie E, nummers 448 en 693 te Graftermeer (hierna: de percelen), alsmede geweigerd om ten behoeve van de bouwplannen nieuwe agrarische bouwstedes aan te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702985/1.

Datum uitspraak: 12 december 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Karnemelkspolder B.V.", gevestigd te Wormerveer,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3258 van de rechtbank Alkmaar van 12 maart 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Graft-de Rijp.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graft-de Rijp (hierna: het college) geweigerd bouwvergunningen te verlenen voor het oprichten van twee bedrijfswoningen en stallencomplexen op gronden gelegen aan de Groeneweg, kadastraal bekend gemeente Graft-de Rijp, sectie E, nummers 448 en 693 te Graftermeer (hierna: de percelen), alsmede geweigerd om ten behoeve van de bouwplannen nieuwe agrarische bouwstedes aan te wijzen.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2007, verzonden op 15 maart 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juli 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van beide partijen. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G. Kramer, advocaat te Alkmaar, en het college, vertegenwoordigd door Th. L. de Fouw, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Allereerst betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte nader ingediende stukken wegens strijd met de goede procesorde niet bij haar oordeel heeft betrokken.

2.1.1.    Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.

2.1.2.    De nadere stukken, te weten het advies van LTO Noord Advies van 14 november 2006 en het ongedateerde advies van de Organisatie voor Particulier en Agrarisch Natuurbeheer SBNL, zijn bij de rechtbank op 17 november 2006 binnengekomen, derhalve twaalf dagen voor de zitting. Deze adviezen bestrijden het advies van Adviesbureau voor ruimtelijk beleid, ontwikkeling en inrichting Rotterdam B.V. (hierna: RBOI) van 11 februari 1999, waarop het college zijn beslissing mede heeft gebaseerd, en dienen ter nadere toelichting van eerder door appellante aangevoerde beroepsgronden. Deze stukken zijn niet van een zodanige omvang en inhoud, dat om die reden een zinvolle behandeling ter zitting niet zonder uitstel kon plaatsvinden. De rechtbank heeft deze dan ook ten onrechte niet bij de beoordeling van het geschil betrokken. Echter, omdat deze stukken in hoger beroep alsnog in de procedure aan de orde kunnen komen, is appellante niet in haar procesbelang geschaad en hoeft dit dan ook niet te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2.    Appellante betoogt voorts dat het college ten onrechte heeft geweigerd met toepassing van artikel 9, achttiende lid, van de planvoorschriften nieuwe bouwstedes aan te wijzen ten behoeve van de door haar ingediende bouwplannen.

2.2.1.    Ingevolge het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop de bouwplannen zijn voorzien de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Gebied met landschappelijke- en natuurlijke waarden -Aln-".

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder b, van de tot het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften) zijn deze gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor veeteelt en ten tijde van de tervisielegging van dit plan reeds bestaande tuinbouwbedrijven op open grond, alsmede het behoud en herstel van actuele en potentiële landschappelijke en natuurlijke waarden. Tevens zijn de gronden aangewezen met een asterisk.

   Ingevolge artikel 9, achttiende lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd, met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, nieuwe agrarische bouwstedes aan te wijzen aan de Starnmeerdijk, Sapmeerpolder, Middelweg, Kamerhop, Zuiddijk, Dwarsweg en Groeneweg, ter plaatse van de gronden met een asterisk aangewezen, ten behoeve van veehouderijbedrijven op open grond met dien verstande dat:

a. de lokatie van de nieuw aan te wijzen bouwstede moet aansluiten op het bebouwingspatroon in de omgeving;

b. de bebouwing op een nieuwe bouwstede gelet op de landschappelijke, natuurlijke en archeologische waarden inpasbaar dient te zijn;

c. burgemeester en wethouders bevoegd zijn nadere eisen te stellen met betrekking tot het aanbrengen van beplantingen in verband met de landschappelijke inpassing van gebouwen;

d. de afstand zoals genoemd in lid 6 onder d in acht genomen dient te worden.

   Ingevolge de in artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen beschrijving in hoofdlijnen richt het onderhavige bestemmingsplan zich op het behoud en de ontwikkeling van de grondgebonden rundveehouderij, in samenhang met:

a. de bescherming van de landschappelijke waarden in het plangebied;

b. de bescherming van de natuurlijke waarden in het plangebied;

c. de bescherming van de archeologische waarden in het plangebied;

d. het bevorderen van het recreatief medegebruik van het gebied.

   Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het beleid gericht op het beschermen van het kenmerkende karakter van het veenweidegebied en de droogmakerijen. Hierbij zal met name aandacht worden besteed aan de openheid, het graslandkarakter, het slotenpatroon, het bebouwingspatroon, de overgangen land-water en de stolpboerderijen met erfbeplanting.

   Ingevolge artikel 8, vierde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het beleid gericht op het behoud van kenmerkende natuurwaarden in het gebied en, waar mogelijk, ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden. Een verslechtering van de uitgangssituatie voor toekomstige natuurontwikkeling zal moeten worden voorkomen.  

2.2.2.    Vaststaat dat de bouwplannen in strijd zijn met het bestemmingplan, nu zij zijn voorzien op gronden die ingevolge de plankaart niet zijn aangewezen als (agrarische) bouwstedes. Aanwijzing van bouwstedes is slechts mogelijk indien het college toepassing geeft aan de op grond van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in artikel 9, achttiende lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Het college heeft geweigerd dit te doen, omdat de bouwplannen een aantasting van de landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied tot gevolg zullen hebben, hetgeen niet strookt met het door het college gehanteerde beleid zoals dat is neergelegd in de beschrijving in hoofdlijnen.

2.2.3.    Indien in een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, is gegeven dat een perceel een andere bestemming kan krijgen voor zover aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Dit laat echter onverlet dat het hierbij gaat om een bevoegdheid van het college. Het college is dus niet verplicht om de verlangde wijziging toe te staan. Wanneer een verzoek met een beroep op die wijzigingsvoorwaarden wordt gedaan, zal het college alle bij hem bekende belangen tegen elkaar moeten afwegen en op grond van die afweging tot een beslissing moeten komen.    

   Anders dan appellante betoogt, heeft het college bij die belangenafweging, zich mede mogen baseren op de beschrijving in hoofdlijnen zoals opgenomen in artikel 8 van de planvoorschriften. In artikel 9, achttiende lid, van de planvoorschriften is immers voorgeschreven dat bij het gebruik van de bevoegdheid om bouwstedes aan te wijzen de beschrijving in hoofdlijnen in acht dient te worden genomen. Voorts hoefde het college bij zijn besluit geen rekening te houden met de aanwijzing van het gebied als Nationaal Landschap "Laag Holland" zoals omschreven in de Nota Ruimte, omdat die nota pas na het besluit van 8 november 2005 in werking is getreden.

    Realisering van de bouwplannen leidt, zo volgt uit het advies van het RBOI, tot een aantasting van zowel de landschappelijke als de natuurlijke waarden in het gebied. Naar aanleiding van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is niet aannemelijk geworden dat het gebied, waarin de bouwplannen zijn voorzien, niet een kwetsbaar weidevogelgebied betreft. Ook appellante heeft zich desgevraagd uitgelaten in de zin dat het gebied kwetsbaar is. De adviezen die naar aanleiding van het advies van het RBOI zijn overgelegd bieden dan ook onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het door het college ingenomen standpunt onjuist is. Het college heeft dan ook meer waarde kunnen hechten aan de belangen die zijn gediend bij de bescherming van de landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied dan aan het belang van appellante bij uitbreiding van haar bedrijf en heeft in redelijkheid kunnen weigeren nieuwe bouwstedes aan te wijzen. De rechtbank is tot ditzelfde oordeel gekomen.

   Het betoog van appellante faalt.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

   

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007

270-552.